vrijdag 14 februari 2020

Het huis, de kat, de horizon

Het einde van de Triennale was nabij. En juist daarom was het tijd voor nog één laatste reisje. Een beetje weemoedig keek ik uit het raam, de warme zonnestralen over mij heen. Deze keer naar het eiland dat het verste van Naoshima vandaan lag. “Zal ik dat nog wel doen?” vroeg ik mij af. Maar de Setouchi Triennale maak je als echte ‘eilander’ maar een keer mee… dus ja! En nu vertrok ik opnieuw met de sneltrein vanaf Takamatsu, deze keer richting de plaats Kannon-ji, aan de andere kant van Kagawa-prefectuur. Lieflijke landschappen van akkertjes en ronde groene bergen maakten langzaam plaats voor het beton en staal van de havenplaatsen. En daarachter begon weer het grote blauw met de eilanden. De zee is nooit ver weg hier, en om de een of andere reden voelt dat als een geruststelling.
Er is altijd iets dat ons en alles met elkaar verbindt. Zijn het dezelfde doelen en dezelfde verlangens die wij als mensen delen? Toen de kleine witte boot ‘New Ibuki’ de haven naderde, ervoer ik eenzelfde golf van opwinding om mij heen. Opeens had niemand meer aandacht voor de duizend gidsjes, voor de televisie in het midden van de boot. Mensen gingen opstaan van hun banken, rondlopen, naar buiten het dek op. Fototoestellen in de aanslag. Foto’s van rode vuurtorens, zeeweringen met rijen stuurse meeuwen die onze kant op staren. Maar hun snavels wezen allemaal een andere kant op: richting het hartvormige eilandje Ibukijima waar wij bijna aan land gingen. Mijn hart ging sneller kloppen bij het dalen van de brug. Zoals altijd stond ik vooraan bij de ingang van de boot, maar ik voelde meer mensen met eenzelfde enthousiasme naar voren dringen. En toen was het tijd om aan land te gaan. Een felblauwe poort en wapperende vlaggen verwelkomden ons op dit eiland, zij leken op te gaan in het blauw van de hemel.
En al gauw kwam ik, snelwandelend met de route van mijn reisgidsje in het achterhoofd, achter bijzondere kenmerken van dit hartjeseiland dat in geen enkel boekje beschreven stond. Dat je hier bijvoorbeeld, evenals met de liefde en grotere doelen in het leven, je erg je best moet doen om je verlangens te verwezelijken. En je zult nooit de enige zijn in deze strijd, wat minder eenzaam voelt maar anderzijds ook voor ongeruste gevoelens kan zorgen. Nog nooit in mijn leven had ik tegen zo’n steile helling aan geklauterd. En toch was het pad dat ik bewandelde netjes verhard. Er lagen schilderachtige, traditionele huizen aan met mooie grijze dakpannen. Op een gegeven moment voelde ik dat de steile heuvel steeds vlakker werd en langzamerhand een hoogtepunt bereikte. Ik keek over mijn schouder. En raakte ontroerd door de schoonheid die ik daar zag. Of misschien was er niet eens zoveel schoonheid. Het was meer op het moment zelf dat ik het zo voelde, toen ik daar een prachtig uitzicht zag. Zo hoog. Ik zag de haven, de boot waar wij vanaf waren gestapt, zo klein. Het blauw van de lucht leek zo groot en dichtbij. En ik voelde dat vandaag nog zoveel te bieden had.
Het pad liep verder. Er was een open plek waar twee kleine huisjes stonden. Het waren geen echte huisjes, maar kunstwerkjes gevlochten met riet met een rood dak. Er klonk flauw gezang uit de huisjes in een taal die ik niet kende.  Het gezang was zacht, had iets lieflijks, het leek te passen bij de sfeer van het vredige eilandje. Een aantal stappen verder werd het gezang echter overstelpt door een zwaar, ronkend geluid dat steeds dichter bij kwam. Ik, die rustige eilandjes gewend was zonder motorverkeer en daardoor op het midden van de weg liep, schrok op en verplaatste me naar de zijkant. Een oudere man op een luidruchtige brommer ging mij voorbij. En toen een oudere dame, ook op een brommer met helm op. En nog één. Vroem, met hoge snelheid crosten zij tegen de steile hellingen op. Even leek het of ik niet meer op een eiland in Japan was maar ergens in Zuidoost-Azië. Zou Ibukijima dan misschien een cult hebben van motormuizen? En zou het niet toevallig zijn dat vooral Zuidoost-Aziatische kunstenaars actief zijn op dit eiland?
Vele vragen kwamen in mij op tijdens mijn wandeling over dat stenen pad. En daar liep dan opeens een poes voor mij uit, met een oranje vacht. Even dreigde ik, evenals mijn mede-eilandbezoekers afgeleid te raken door het zachte poezenbeest. De jongen die mij de weg wees richting de haven nadat ik was gestrand op het ietwat eenzame station Kannon-ji zag ik het beestje een aai over de kop geven. Een knikje met het hoofd en een glimlach als teken van gedag zeggen. En toen nam hij de benen. Gelijk begreep ik waarom… hij had hetzelfde doel als ik. Sterker nog, al die mensen die na aankomst van de boot afsnelden, dezelfde richting uit, hadden hetzelfde doel als ik! Snelwandelend ging ik verder de heuvel op. Op een straathoek hadden bewoners hun huizen opengesteld en hadden zij allerlei accesoires gemaakt van oude kimonostofjes tentoongesteld. Daar tegenover een klein supermarktje, waar grote zakken iriko (gevriesdroogde sardientjes) vooraan in de rekken stonden uitgestald. Een mevrouw die er werkte wees mij de weg: als je hier rechtdoor gaat en bij de tempel naar rechts, zul je het snel zien!
Al gauw kwam een zoete geur van wierrook en cederhout mij tegemoet en torende er een muur boven mij uit van een hoog gelegen tempelgebouw. Opnieuw hoorde ik het vage gezang, deze keer kwam het uit de richting van een ander gevlochten rood huisje op paaltjes, dat tegen een stenen muur stond. Hoewel ik begreep dat het een kunstwerk van de Triennale was, leek het alsof het gewoon een soort bijgebouwtje was dat de tempel altijd al vergezeld had. De geur van wierrook ging op een ploteselinge manier over in de zoete geur van verhitte sojasaus. Hier was het dan: de plek waar de ‘moeders’ van Ibukijima de beroemde o-bento zouden verkopen met allemaal lokale gerechtjes. Vooral de woorden ‘beperkte beschikbaarheid’ in het gidsje moet iedereen in het oog zijn gevallen, bleek toen er al een hele rij stond.  Rustig ging ik achteraan staan en gluurde door het raampje de keuken in, waar ik oudere dames druk heen en weer zag lopen.
Het bleek dat Ibukijima in Japan bekend staat als het eiland waar de hoogste kwaliteit iriko vandaan komen. Vroeger was het een onmisbaar levensmiddel voor de eilandbewoners om hen in hun dagelijke portie van mineralen en eiwitten te kunnen voorzien. De visjes worden volgens een specifiek proces eerst gekookt en dan direct gevriesdroogd, waardoor zowel de rijke smaak als de voedingsstoffen behouden blijven. Bovendien zijn de mogelijkheden om ze te bereiden eindeloos. Zo bleek toen ik, zittend op een gezellig terrasje omgeven door groen, het doosje opende en mij verbaasde over de vele verschillende gerechtjes waarin deze visjes werden gebruikt. Als topping in een saladetje, als heerlijke tempura in combinatie met allerlei groenten zoals aubergine en pompoen. Maar ook als ‘takikomi gohan’, rijst gekookt in een mix van bouillon, sojasaus en iriko, wat het een rijke smaak gaf. De visjes waren zout en knapperig van buiten en tot mijn verbazing vrij zacht vanbinnnen. Ik kon me opeens de verontwaardiging van de mensen op Ibukijima voorstellen dat deze iriko tegenwoordig in Japan voornamelijk worden gebruikt om bouillon van te trekken (hoe zonde!).

Zo zat ik daar te smullen, tegelijkertijd te genieten van de omgeving en de mensen die er waren. Zo zaten er tegenover mij aan het houten tafeltje twee meisjes, net iets jonger dan ik. Onze ogen ontmoetten elkaar en we raakten we raakten aan de praat, over de reis, over wat we het lekkerste vonden van deze bijzondere bento. Bijna zouden we niet doorhebben dat er ook een aantal andere ogen waren die ons onophoudelijk aanstaarden… Mijn tafelgenootjes schoten in de lach toen we doorhadden dat we omringd werden door een groepje hongerige poezen. Natuurlijk werden ze in een keer door iedereen aangehaald en kregen ze bergen aandacht, maar hun verlangende blik verdween niet. De grote starende ogen gingen pas toe toen zij een visje werd toegeworpen. Doe het nou niet, dacht ik… maar een van de meisjes kon het toch niet laten. Geluk moet je immers delen. Kijkend om mij heen zag ik allerlei gezichten die ik van de boot kende. Sommigen waren al klaar met eten en stonden op voor een volgend avontuur. Het was tijd om het eiland verder te verkennen.
Wandelingen door talloze heuvelachtige steegjes. Het dorpje op het eiland was groter dan ik had verwacht. En wat moet het vroeger levendig zijn geweest. Bij vele gebouwen zag ik uithangborden van winkels, restaurants en kapperszaken. Maar als ik door de bestofte ramen naar binnen keek, zag ik enkel lege ruimtes, soms met een paar vergeelde foto’s en posters aan de muur. Er waren echter ook dingen op het eiland die niet met het verstrijken van de tijd verloren zijn gegaan. Het wandelpad kwam uit op een open plek waar vandaan we prachtig uitzicht hadden op de huisjes, de zee, de golfbrekers en bootjes in de verte. Er was een klein paviljoen gemaakt van een lichte kleur hout, met schuifdeuren waar doorheen het zonlicht viel en de afscheiding van de horizon, tegengesteld aan de verticale lijnen van het paviljoen, op een prachtige manier tot zijn recht kwam. Het zijn de kunstwerken die mensen hier vandaag maken die laten zien wat er hier nog wel is, bedacht ik me. Opnieuw kwam er, dribbelend over de gladde vloer, een poesje op me af met felgroene ogen en een vacht die in de dezelfde kleur leek te zijn geverfd als de houten planken om hen heen. Opnieuw leek hij enkel interesse te hebben in het voedsel in de rugzak van een reisgenote. Ook ik begon honger te krijgen naar meer mooie indrukken.
Er waren hoog gelegen looppaden met huizen aan zee. Er was een oud huis waar een kunstenaar de muren had ingepakt met zeer verfijnde, maar bonte borduurwerken. Op andere muren graffiti met motieven van de binnenlandse zee van Seto en hier en daar wat eccentrieke, abstracte sculpturen in knalkleuren. Ik had verwacht dat de groep bejaarde dames die op dat moment binnenkwam misschien een aversie zou hebben tegenover het wat extreme werk in het traditionele Japanse huis, maar het tegendeel bleek het geval. Met een brede glimlach wendden ze zich tot mij.  “Waar kom jij vandaan? Mooi is het hè? Wat is kunst toch geweldig!” En wat een geweldige werken waren er inderdaad, niet alleen binnenin de houten huizen, maar ook bovenop funderen van huizen die er al lang niet meer stonden. Een lange stenen trap leidde mij naar een plek vlakbij zee. Daar stuitte ik op een enorm, trechtervormig bouwwerk gemaakt van dunne, houten latjes die in een vaste structuur haaks op elkaar waren bevestigd. Maar mijn grootste moment van verbazing kwam pas toen ik recht voor het werk stond. De binnenkant van het buisvormige bouwwerk bestond uit duizenden fragmentjes van hele kleine spiegeltjes die aan elkaar waren geplakt en samen een soort enorme kaleidoscoop vormden. In het midden van de werk zag ik een groot blauw vlak, het perfecte blauwe van de zonnige lucht van die dag. De hemel leek verlengd te worden en zelfs naar ons toe te komen door deze wonderlijke tunnel van spiegeltjes.
Een vrijwilliger legde uit dat op deze open plek vroeger de ‘Debeya’, oftewel de ‘buitenkamer’ van het eiland stond. 400 jaar geleden stond hier een huisje waar zwangere vrouwen met elkaar samenleefden in de maand voor en na de bevalling. Vroeger werd gedacht dat de geboorte een moment van onreinheid was en daardoor buitenshuis moest plaatsvinden. De kunstenaar Takashi Kuribayashi nam dit stukje geschiedenis in acht bij het creëeren van de zogenaamde ‘Boom van Ibuki’, een boom die symbool zou kunnen staan voor deze plek van leven op het eiland en ook een soort begrenzing zou kunnen vormen tussen ‘geboorte’, ‘leven’ en misschien wel ‘wedergeboorte’. Volgens de kunstenaar is de boom verbonden met de vele levens van de mensen op Ibukijima.

Maar wie zijn dan nu de mensen van Ibukijima? Bedacht ik me, terwijl ik mijn weg vervolgde op een stenen pad bovenop een heuvel. Ik keek uit over een prachtig veldje cosmeabloemen met daarachter de zee. Mijn dagdromen werd verstoord door zwaar geronk. Ik keek achter me en zag daar een oudere man op een brommer rijden. Hij werd gadegeslagen door een groepje Chinese meisjes die hem nawezen. Hij was niet iemand die je snel zou vergeten: lang grijs haar, een baard, een zonnebril, kleurige kleding en een bandana. Hij haalde mij in en verdween in de verte. Om de hoek vond ik een wit schoolgebouwtje. In de klaslokalen keek ik mijn ogen uit, want oude posters, foto’s en kaarten hingen nog gewoon aan de muur en tussen de tafels en lesmaterialen vond ik opnieuw mooie rode, gevlochten voorwerpen, deze keer in de vorm van schoenen en dozen. Ze deden sterk denken aan de huisjes die ik op andere delen van het eiland had opgemerkt, op de berg en bij de tempel. Er werd een video vertoond waarin de bewoners van Ibukijima zelf rode gevlochten pakken aantrokken en samen een dans uitoefenden voor de tempel. Ook maakten we hierbij kennis met het Nederlands-Indische kunstenaarskoppel Mella Jaarsma en Nindityo Adipurnomo die verantwoordelijk waren voor al deze kleurige werkjes rondom het eiland. Ook zij waren geïnspireerd geraakt door een oude foto die ze vonden op Ibukijima: de vorm van hun ‘huisjes’ zou gebaseerd zijn geweest op de vorm van kleine talismannen in de vorm van huisjes die vissers met zich meedroegen wanneer zij de zee opgingen. Misschien zodat zij weer veilig naar hun eigen ‘thuis’ zouden terugkeren?
Hoewel ik geen schipper ben, houd ik me ook graag bezig met wat mensen beschouwen als ‘huis’ en ‘thuis’. Wat betekent ‘thuis’ voor ons? En kunnen we niet vele plekken in onze levens hebben die we als ‘thuis’ voelen? Ik begin steeds meer te geloven dat zoveel plekken waar we geborgenheid en verbondenheid kunnen ervaren, kunnen beschouwen als iets waar we zelf ook deel van uitmaken, als een soort ‘gemeenschappelijk thuis’ waar we dezelfde dingen kunnen ervaren. Ik denk terug aan het moment waar ik samen met een paar andere dames de lichte binnentuin van de school betrad, waar we samen ons verwonderden over een prachtig blauwe ‘Parantica sita‘, een reizende vlinder die zich tijdens dit seizoen soms op Ibukijima laat zien. Het moment dat ik terug richting de haven liep, waar nog een ander oud gebouw wat tegenwoordig dienst doet als informatiecentrum, mij in het oog viel waar ik vervolgens met een paar andere eilandhoppers dubbel heb gelegen om een videospel waarbij je op een levensechte brommer moet gaan zitten om een ‘sardientje’ te besturen dat door de straatjes racet van een science fiction-achtig Ibukijima. Nog in de ban van dit parallele universum, kwam ik vervolgens weer tot de realiteit bij het zien van een mooie driedimentionale landkaart van het eiland in een ander lokaal. Het was een lichte ruimte. Op het hartvormige model stonden met vlaggetjes aangegeven wat er vroeger allemaal op Ibukijima te vinden was. Opeens schrok ik op van de aanwezigheid van de kleurige meneer van de brommer. Hij begon tegen me te praten alsof het niet onze eerste ontmoeting was. “In mijn jeugd was er nog van alles op het eiland! Hier waren winkels, hier was de kapper… maar uiteindelijk zijn er zoveel mensen weggetrokken. In de jaren 50 woonden wel bijna  5000 mensen! En tegenwoordig nog maar 500.” “Komt u ook van Ibukijima?” vroeg ik. “Jazeker, ik ben op dit eiland geboren! En ik ben er trots op!” riep hij uit.
Nadat hij mij uitgebreid had verteld over de start van de Setouchi Triennale op het eiland en de band die er ontstond tussen het eiland en verschillende kunstenaars uit Indonesië, raakte mijn aandacht verstoord door de gedachte dat de tijd gewoon doorging. Ik keek tussendoor subtiel even op m’n horloge en voelde mijn hart sneller kloppen. Wacht… de laatste boot van de middag vertrekt al over een kwartier! Ik bedankte hem met een knikje en excuseerde mij. Zonder m’n veters te strikken duwde ik mijn sneakers aan die bij de deur stonden en snelde ik mij het gebouw uit, de heuvel af. (En moest oppassen dat ik die ene geweldig hoge heuvel niet af zou rollen!)
Een melancholische sfeer omringde ons toen we met z’n allen op het dek stonden van de Ibukijima ferry. Breeduit zwaaiend naar de locals en vrijwilligers die op de knalblauwe pier ons stonden uit te zwaaien met grote vlaggen. Afscheid nemen vanaf een boot is toch niet te vergeleken met enige andere vorm van afscheid… de manier waarop we langzaam de haven uitvaren en alle plekken, gebouwen en alle mensen steeds kleiner worden, steeds verder weg raken. Of niet? Als een explosie weerklonk er een harde stem over de golven. En opeens was hij er weer! Over een betonnen, lange zeewering parallel aan ons schip rende hij, luid roepend en zwaaiend met vlaggen in alle kleuren van de regenboog zei hij ons gedag. Als een soort dans, een performance. Hij is ook een kunstenaar. Een kunstenaar van Ibukijima. En met dit laatste schouwspel voor ogen blijft het een heel bijzonder eiland in onze herinneringen. Al gauw werden we omgeven door niets anders dan blauw. Ik raakte weer aan de praat met de twee meisjes met wie ik samen had geluncht en de katten had gevoerd. “Wat vonden jullie het allerleukst op het eiland?” vroeg ik. Ietwat verlegen giechelden ze. En riepen toen in koor: “De o-bento!”
Blaadjes in de bergen worden bruin en vallen. De bergen van Naoshima worden grijs. De lucht koelt af. En op een gegeven moment betreedt die geur weer mijn neusgaten. Een vorstachtige lucht gemengd met een aroma van verbrand hout erdoorheen. Hoewel het een geur is die me blij maakt, die me om de een of andere reden doet denken aan de prachtige witte sneeuwlandschappen van Yamagata, maakt het intreden van de winter mij niet alleen gelukkig. Wachtend op de bus, voel ik de snerpende kou langs mijn hals waaien en kan alleen maar hopen dat keelpijn en verkoudheid uitblijft. Mijn collega, die evenals ikzelf niet al te stevig gebouwd is, hoor ik hetzelfde denken. “Het zware seizoen voor ons is weer gekomen, Lisanne” zegt zij ietwat onheilspellend.
Maar als wij de koude, sneeuwloze winter op Naoshima vanuit een positief oogpunt zouden kunnen bekijken, is het wel een seizoen van rust. En met name dit jaar van een extreme rust, een soort dal na de weerzinwekkende drukte van de Setouchi Triennale, waarbij (extreem gezegd) een soort golven van mensenmassa’s steeds het museum binnenstroomden. En nu staan we daar weer, te kijken hoe de automatische deur dichtblijft, hoe de gangen verlaten zijn. Alleen wij en onze computers. Alleen het beeld van ‘Diego’ van Alberto Giacometti, tijdens de Trienale omringd, bestaard en belaagd (!) door zowel kinderen als volwassen. Ook op zijn gezicht meen ik nu een serene uitdrukking te zien. De Setouchi Triennale was een periode vol avontuur, vol nieuwe ontdekkingen, reizen en ervaringen waar ik op dit blog nog lang niet alles over heb kunnen schrijven. De tijd was beperkt, mijn hoofd is vol. Elke dag was druk. Werkdagen waren druk. Op vrije dagen wilde ik alles zien en beleven. En zo graag zou ik nu, nadat het voorbij is, alles willen verwerken, zou ik over de Triennale en de waarden ervan willen schrijven… maar ik kan het nog niet. Nog lang niet alles is bezonken. "Daarbij ben ik moe. Ontzettend moe!" dacht ik. En toen verscheen er een mailtje in mijn mailbox.

Een uitnodiging. Van een collega die binnenkort een feestje wilde organiseren, het zogenaamde ‘Bedankt voor jullie harde werk tijdens de Triennale’-partijtje. De datum stond al vast, evenals de plaats. Net toen ik het rooster wilde pakken om mijn dienst van die dag te checken, vielen mijn ogen op de woorden “En aanwezigheid nemen we deze keer niet op! We verwachten namelijk dat jullie er allemaal zijn!” Dat was ook duidelijk. En zo ging ik na mijn dienst uit mijn werk door naar Tsutsuji-so, de gemoedelijke kampeerplaats aan zee. Hier ligt een gebouw met een grote wa-shitsu, een Japanse kamer met tatamimatten wat ideaal is voor een staand of zittend feestje met grote groepen. Toen ik de schuifdeur opende zag ik tot mijn verbazing dan ook een volle, levendige ruimte. Al mijn collega’s hadden zich rondom een lange tafel verzameld waarop heerlijke lekkernijen te vinden waren. Alle ogen waren opeens gericht op mij. “Lisanne is er!” Er werd geklapt bij binnenkomst kreeg ik een bijzonder geschenk. Een gouden medaille die ik om kreeg omdat ook ik bij de Setouchi Triennale had gewonnen. “Gefeliciteerd! Omdat je zoveel verschillende talen hebt gesproken tijdens het festival!” Ik was vereerd, moest m’n best doen om niet te blozen bij deze speech voor de ogen van anderen. Gelukkig zag ik, toen ik om mij heen keek, dat iedereen gewonnen had. Vele stralende gezichten en glimmende gouden chocolademedailles, sommige half opgepeuzeld. Toen ik ging zitten werd de luxe sashimi van bonito en zalm naar mij toegeschoven. Ook kreeg ik, tot mijn vreugde, een kommetje gloeiend hete stoofpot met veel tofu en groenten. Speciaal voor mij vegetarisch gemaakt. Hoewel de avond zijn nodig gekke momenten kende (schoenen die verstopt werden zodra je poogde te vertrekken…), kon ik tijdens dit hele evenement een glimlach niet onderdrukken. Met zo’n opkikker kunnen we er deze winter weer tegenaan.
Het is bijna lente!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten