zaterdag 9 mei 2020

Als een droom

Ik kon mijn ogen niet geloven. Dacht ik dat ik op tijd in de haven zou zijn voor de ferry richting Takamatsu, blijkt dat er geen enkele mogelijkheid is geweest om de mensenmassa ook maar enigszins te ontwijken. Het havengebouwtje puilde uit van de mensen en de ‘rij’ was als een enorme slang die de weg kwijt was en talloze keren was afgeslagen. Maar waar is de staart? En heeft het überhaupt nog zin om in de rij te staan voor deze laatste boot van vandaag? Vroeg ik mij ongerust af. Toch hield ik de moed erin en ging ik, voor zover ik begreep waar het einde was, in de rij staan. Om mij heen was de sfeer onrustig geworden, al kon ik maar weinig van de gejaagde gesprekken om mij heen verstaan. Het waren voornamelijk Chinese jongeren die vandaag Naoshima hadden bezocht en nog met de laatste ferry poogden terug te gaan naar Takamatsu. Je zou maar vanavond met het vliegtuig richting Shanghai moeten, bedacht ik me angstig. Niet dat mijn situatie nou zo fijn was… Ik had de kaartjes voor de voorstelling van die avond had gekocht en al maanden in mijn hoofd gehad dat ik van alle evenementen van de Setouchi Triennale in ieder geval dit werk wilde zien.Het zou zo jammer zijn als ik het zou missen.
Ondertussen liep de spanning op. De rij ging wel vooruit, maar te langzaam. De ingang van de boot was nog ontzettend ver weg en we hadden al vele benen het dek op zien lopen. Steeds een stukje vooruit, dicht tegen iedereen aan, als een kudde schapen. Begeleid door de mensen van het havenbedrijf met bordjes en vlaggetjes, als schapenhoeders. Opeens zag ik iemand met een informatiebord middenin de rij staan. Ik ging op m’n tenen staan om te zien wat er stond, maar de mevrouw die het bord omhoog hield was nog aardig ver weg. “Vanaf hier de rij voor de extra ferry”. Opeens ging de poort van de boot omhoog totdat deze volledig gesloten was en vertrok richting Takamatsu. Een extra ferry… dat is wel leuk en aardig, maar de rij is nog steeds enorm en wie zegt dat wij daar dan wel allemaal op kunnen? Ik begon weer onrustig te worden. En velen met mij. Mensen die subtiel probeerden een beetje voor te piepen, en de boze stemmen van mensen die zich daaraan ergerden. Een zucht van verlichting toen ik eenmaal op het dek stond van de ‘extra ferry’, een oude boot die meer gericht leek te zijn op een paar werknemers van Mitsubishi Material in de plaats van deze duizend toeristen en Lisanne.
Na mijn Seven Eleven maaltijd achter de kiezen te hebben en tussen alle hoofden door te hebben genoten van hoe de zon in zee zakte, kwamen we aan in de stad. Sommigen haastten zich de boot af, misschien nog maar net op tijd voor hun volgende aansluiting (Bus? Trein? Vliegtuig?!), anderen deden het rustig aan. Zo ook ik, de kaartjes had ik immers al en de voorstelling, die zou beginnen in de Sunport Takamatsu Hall, begon pas over een uur. Sunport Takamatsu is een hoog, licht gebouw dat vanaf de boot al snel in het oog valt en deel uitmaakt van de bescheiden maar mooie ‘skyline’ van Takamatsu. Het gebouw is verbonden met de ferryterminal door een overdekte looproute. Hoewel ik eerst dacht dat het alleen functioneerde als winkel en kantoorgebouw, blijken er ook een aantal theaterzalen in gevestigd te zijn, waar zowel performances als films worden vertoond. Wat er vanavond precies vertoond zou worden kon ik mij nog niet goed voorstellen, maar ik begreep wel dat dit stuk van de Nederlandse kunstenaar Christiaan Bastiaans een  unieke samenkomst van verschillende werelden zou zijn. Samen met een grote groep bezoekers, voornamelijk Japanners maar ook enkele buitenlanders,  stond ik klaar om dit allemaal te kunnen ervaren.

Een donkere ruimte. En dan een beetje licht. Mensen verschijnen. Een moment denk ik dat het een film is, en zij acteurs zijn die op een vierkant kader verschijnen. Wanneer ik beter kijk zie ik pas dat zij echt voor mij staan. Een jonge dame, een mevrouw, een oudere meneer. In het zwart gekleed, hun gezichten lijken licht te geven zodra zij spreken. In verschillende talen spreken zij, Japans en Engels. Maar toch verstaan zij elkaar. Hun verhalen zijn onsamenhangend en gaan langs ons heen. Als publiek begrijp je enerzijds nog niet goed waar zij het over hebben, maar kijkend naar hun gepijnigde blikken, de hoge tonen waarin zij tot kippevel toe breekbaar zingen, begrijp je dat zij lijden. Zij zitten gevangen. Hun bestaan in de donkere wereld wordt onderbroken, nee eerder doorkruist door een andere verhaallijn dat zich afspeelt op een scherm die parallel lijkt te staan aan hun wereld. Een mevrouw met lichte haren en een vriendelijk gezicht. Haar zachte stem vertelt over haar wens om naar een zeker eiland af te reizen. De terminal van Takamatsu waar ik zojuist was komt groot in beeld. Opeens een hele open, lichte wereld. We zien haar in een bootje stappen en dromerig naar buiten kijken, steeds dichter bij haar bestemming Oshima. Het eiland waar mensen vroeger naartoe gingen zodra hun ziekte werd ontdekt, waarschijnlijk nog niet wetende dat zij tot het einde van hun leven hier zouden blijven.
Als een donderschok komen we in een andere dimensie terecht. Angstaanjagende beelden onderbreken de ogenschijnlijk vredige wereld waarin zij zojuist aan land was gegaan. We zien donkere ruimtes, nauwe gangpaden. En maken kennis met nieuwe personages. Jonge mensen met eccentrieke uitdossingen in een surrealistische wereld. Zij zitten gevangen en schreeuwen het uit. Zij worden onderdrukt. Kritische blikken van artsen die hun bestaan enkel koeltjes analyseren, maar hen geen enkele manier van een menselijk bestaan gunnen. Hoewel de gebeurtenissen te abstract zijn om te kunnen begrijpen, voel ik mijn maag omkeren bij het aanschouwen van deze ‘gruwelijkheden’ en ben opgelucht zodra de chaotische scenes worden onderbroken door een ander verhaal. In het midden van de donkere zaal staat een figuur. Het is een oudere man in een pak dat zijn hele lichaam en ook een deel van zijn hoofd bedekt. Hij heeft allerlei touwen om zich heen, wat enerzijds doet denken aan de vele touwen van vissers die je overal ziet liggen hier op de eilanden. Anderzijds lijkt de ‘dans’ die hij maakt weer een verband te hebben met de gesloten, geisoleerde situatie van de mensen op dit eiland. De langzame, ronde bewegingen met zijn armen waarmee hij de touwen tot beweging brengt, de schuifelende manier van lopen. De manier waarop hij de gevoelens van deze mensen verbeeldt is vervreemdend en tegelijkertijd zo prachtig.
Dialogen en gezang van de ‘echte’ mensen op het podium worden zo nu en dan afgewisseld door lieflijke stemmen en beelden van oude mensen die achter hen verschijnen. Een oudere mevrouw vertelt over haar leven in het sanitorium op Oshima waar zij sinds haar twintigerjaren heeft doorgebracht. Zij is een van de patienten waar op jongere leeftijd leprosie werd geconstanteerd in een tijd waarin nog niet veel bekend was over de ziekte. Isolatie van de rest van de wereld, ook van je familie en vrienden, werd destijds nog de beste oplossing geacht. En zo zijn er al vijftig jaar voorbij gegaan sinds de patienten aan land kwamen op dit eiland om opgenomen te worden en niet meer terug te keren. Hoewel de leprosie preventiewet inmiddels is afgeschaft, wonen nog steeds veel van de voormalige patienten op het eiland. Duidelijk dragen velen van hen nog de littekens van een zwaar leven. Sommigen blind of doof. Maar regelmatig verschijnt er een glimlach op de oude gezichten, wanneer zij vertellen, wanneer zij omhelsd worden door actice Liv Ullman die zich vele jaren heeft ingezet voor deze mensen. Een gevoel van verlichting krijgen we bij de laatste scène, wanneer zij samen met een oude man danst onder de kersenbloesems die in volle bloei staan. Hij speelt op een mondharmonica. Het verdrietige en tegelijkertijd vrolijke geluid omringd door roze bloemblaadjes brengt een mooi slot aan dit verhaal.
Een verhaal dat aan een einde gekomen is, maar dat niet vergeten mag worden, bedacht ik me, terwijl ik naar buiten keek naar de lichtjes van de stad. Wanneer wij verder van Takamatsu verwijderd raakten, zag ik alleen nog maar duisternis om mij heen. De zee en de lucht zijn donkere vlakken. Nog steeds had ik het gevoel dat ik de wereld van de voorstelling nog niet helemaal had verlaten. De intense uitdrukking van de personages, de verdrietige zang, de elegantie van traditioneel Japans theater en uiteindelijk een slot dat mij ontroerde. Ik keek nog vele malen in het boekje met verhalen over Oshima die ik voor de vertoning kreeg. Ondertussen leek de kleine boot over de golven te vliegen, zo snel bracht hij mij weer naar Naoshima. Wij zijn vrij en kunnen overal naartoe waar me maar willen. Maar wat nou als wij ook door een wending van het lot opeens zouden worden beperkt in onze vrijheid? En gezond zijn niet meer vanzelfsprekend zou zijn? Het zijn vraagstukken waar ik tot nu toe niet vaak genoeg bij stil had gestaan, realiseerde ik me. Mijn gedachten verdwenen in de donkere nacht.
En toen was het ochtend. Flauw zonlicht scheen roze-achtig door mijn gordijnen. Buiten was het ijskoud. De lucht is felblauw, bijna blauwer dan mijn aquarelpotloden. Met veel moeite opende ik de zeer stevig dichtgeknoopte plastic zak vol met ronde, zware lekkernijen. De mochi van het nieuwe jaar, vers geplet uit de enorme vijzel uit de voortuin van de dorpsoudste. Deze kon moeilijk geweigerd worden. Toch probeerden collega's er met smoesje onderuit te komen. "Maar ik heb al zoveel mochi gekregen dit jaar!" "Sorry, ik ben op dieet." Ik had echter eerder zorgen om de oudbakkenheid van de rijstcakes: "Het is al  januari... kun je ze nog wel eten?" "Natuurlijk wel! Chin (piep) ze gewoon even op!" zei onze goedlachse manager bemoedigend. "Dat noem je toch geen chin! Dat ding heet een magnetron!" verbeterde mijn sempai haar. "Maar Lisanne, jij begreep toch wel wat ik bedoelde?" Natuurlijk begreep ik het. Na 3 jaar begin steeds meer Japanse dingen te begrijpen... (Wacht, 3 jaar al?!)
De taal, de gebruiken, de dingen waar mensen waarde aan hechten, naar uitkijken. Ongemerkt zijn deze ook een deel van mij geworden. En zo vroor ik ook de mochi in na Nieuwjaar. En ging ik naar het Hachiman-jinja voor hatsumode, het eerste gebed van het nieuwe jaar. Hachiman-jinja is het belangrijkste shinto heiligdom van Naoshima: in tegenstelling tot andere tempels worden hier alle lokale goden van het eiland vereerd. De ingang van Hachiman-jinja is makkelijk te herkennen aan de grote stenen torii, een opvallende verschijning tegenover de lage houten huisjes eromheen. Achter deze poort, het begin van het heiligdom, doemt al gauw een enorme trap op waarvan de massieve stenen traptreden steil tegen de heuvel aan zijn gebouwd. Vooral voor mensen die niet van wandelen houden is het wellicht een angstaanjagende gedachte dat deze trap zo'n honderd treden hoog is... echter houd ik wel erg van wandelen en deze trap is zeker geen probleem voor mij. En zo ging ik, stukje bij beetje, steeds hoger de berg op, geleidelijk aan raakte ik verwijderd van de gewone wereld met huisjes, mensen en winkels en betrad een wereld omgeven door groen. Door het bladerdek van de vele bomen, die als een tunnel zich om mij heen vormden, vielen flauwe stralen zonlicht naar binnen. De schitteringen dansten op de treden, over mijn voeten die ik tijdens de klim goed in de gaten hield. 
Halverwege een ontmoeting met de twee tempelwachters die aan weerszijden van het pad, ieder in een soort houten kamertje geplaatst met een opening aan een kant. De duidelijk getekende ogen kijken mij strak aan en ook de felle kleuren van hun gewaden zijn ongebruikelijk. Evenals het schattige poesje dat aan een kant van het kamertje nieuwsgierig naar een van de heren opkijkt. Het is een houten beeldje gemaakt door de beeldhouwster Miwa Michiyo. Het was aan haar om op een subtiele manier nieuw leven te blazen in deze tempel, waar juist plannen waren gemaakt om de oude vervaagde beelden een likje verf te geven. Gewoonlijk houd ik niet van overgeschilderde dingen, het voelt zonde. Want zijn dingen niet juist mooi omdat ze oud zijn? Toch vind ik het nieuwe beeld in gematigd felle kleuren in combinatie met het grijnzende poezenbeest een mooie combinatie, een lieflijke samenkomst van oud en nieuw die echt bij Naoshima past.
Ik ben niet alleen op de trap. Voor mij lopen in langzaam en weifelend tempel twee jongetjes met hun moeder. Iedere keer omkijken hoe hoog we zijn... en steeds is de bewoonde wereld ietsje verder weg. Ik denk terug aan mijn eigen ouders die ik ontmoette in mijn eerste droom van het Nieuwe Jaar, ook iets belangrijks waar mensen hier bij stilstaan. Ik droomde dat ik mijn familie in Nederland weer zag, een beeld van een zeer nabije toekomst. Wat kijk ik ernaar uit om binnenkort even terug te gaan! Maar nu ben ik nog hier, mijn voeten raken bijna de veilige zanderige grond. Ik heb de berg beklommen. In het midden van de open plek een houten tempelgebouw met uitzicht op zee door de naalden van de pijnbomen bekeken. Denkend aan ons geluk en onze gezondheid gooide ik een muntje in de saisenbako, een houten doosje met een horizontale opening aan de bovenkant. Toen moest ik even denken. Twee keer buigen, twee keer klappen en dan is het tijd voor een wens. Even mijn ogen dicht. Dan weer open. En nog één keer buigen... ik hoop dat ik het goed heb gedaan.
Vervolgens viel mijn oog op een doosje in de hoek van de tempel. Er lagen kleine, langwerpige strookjes papier in. Omikuji, oftewel toekomstvoorspellingen. "Pas pakken als je klaar bent met bidden" stond er streng. Ik raakte nieuwgierig en angstig tegelijkertijd... angst voor een slecht teken. Maar deze keer had ik vertrouwen in de goden van Naoshima. Ik vouwde een briefje voorzichtig open en zag een woord staan waarvan de zon feller leek te schijnen. Niet te geloven! Zoveel geluk heb ik nog nooit gehad! Voorspoed, hoop, nieuwe kansen... echter, je moet wel op een oprechte manier met je geluk omgaan stond er, als voorwaarde bij. Anders dan gaat alles alsnog niet goed. Ik zal m'n best doen, en mijn geluk op de beste manier benutten! Bedacht ik me, en daalde opgetogen de grote traptreden weer af. Licht aan het einde van de tunnel.
En toen bevond ik mij weer in Honmura. Boven de deuren van donkergekleurde houten huizen hingen 'shimenawa', versieringen voor het Nieuwe Jaar. Toen ik tot mijn verbazing zag dat de buurtsuper al om deze tijd niet zoveel meer verkocht besloot ik om toch eens binnen te stappen in dat gezellig-uitziende huiskamercafé tegenover de winkel. Al een lange tijd was ik benieuwd naar de zogenaamde 'lunches van de dag' bij 'Café Ippo'. De eigenaren, een ouder stel, merkten niet dat ik binnenkwam, zo toegewijd stonden ze van alles voor te bereiden in de keuken. Ik nam plaats in een luie stoel aan een rond houten tafeltje. De andere bezoekers van het café zaten er ongedwongen bij. Kijkend uit het raam waar het zonnetje doorheen scheen. Tegenover mij stond een tv, waar de actrices van de nieuwste ochtendsoap van de NHK in de prachtigste kimono de meest luxueuze osechi proefden, allerlei lekkernijen met voorspoedige symboliek die in Japan met het nieuwe jaar worden geassocieerd.
Opgaand in de kleurigheid van het culinaire feest,schrok ik bijna toen de mevrouw van het café opeens naast mij stond. Ik bestelde de 'Veggie plate', vandaag met een kruidige kikkererwtenkroket in de hoofdrol. Terwijl mijn maaltijd werd klaargemaakt dacht ik terug aan een bijzondere ontmoeting die ik laatst had. Aan het eind van haar verblijf van 7 dagen (!) in Naoshima maakte ik kennis met een gepassioneerd schrijfster uit de Verenigde Staten, op zoek naar rust en inspiratie op de eilanden. Haar blauwe ogen werden waterig toen ze vertelde over haar bezoek aan het prachtige Teshima Art Museum en keken verschrikt toen ik haar vertelde dat de meeste mensen toch maar één dag hier besteden en dan verder reizen. Al gauw waren we het er over eens: juist op dit soort plaatsen moet je een langere tijd doorbrengen om al het moois echt te kunnen 'zien'. Opeens schoot haar iets te binnen: "Ik kan ook zo genieten van het eten hier! In Honmura is er een klein cafeetje, Café Ippo. En daar maken ze heel veel kleine gerechtjes met heel veel aandacht. En dat proef je!"
En toen, zittend aan het antieken tafeltje op de troon-achtige stoel kreeg ik hetgeen geserveerd waar ik zo nieuwsgierig naar was. Een mooi dienblad kwam op tafel. Een bergje rijst in een kommetje van donker aardenwerk, wat misosoep en op een bordje een paar eenvoudige bijgerechtjes zoals gestoofde spinazie, een salade, een klein beetje hikiji en in het midden een goudbruin kroketje. De buitenkant was knapperig en de binnenkant verrassend pittig. Geruisloos zat ik te smullen. De geluiden van de tv veranderden in gezoem op de achtergrond. Af en toe voelde ik ogen op mijn gericht en opeens stond ze naast mij. Schrik! "Daijoubu desu ka?" Is alles wel oké? Vroeg zij ietwat onzeker. Misschien was ik wel heel erg stil geworden van het lekkere eten. "Het is heerlijk!" antwoordde ik. Een zonnestraal ging over haar gezicht. "Kookt u wel vaker vegetarisch?" En zo begon ons gesprek. Over eten en werken, manieren om gevriesdroogde tofu te frituren, over de mooiste plek op Naoshima om de zonsopgang te zien, over tempels in Kyoto en tenslotte kletsten we over de maintenance periode. Hoe zouden we deze vrije dagen eens benutten? Ik vertelde dat ik terug naar Nederland zou gaan om met mijn familie tijd door te brengen. Er verscheen een ietwat trieste uitdrukking op haar gezicht. "Tijd... dat is het allerbelangrijkste. Tijd gaat alleen maar vooruit. Achteruit gaat het nooit meer."
Net toen ik mijn hart zwaar voelde worden, verscheen er licht door de opening van de deur die niet open ging. En zag een bekend gezicht. Balancerend op één been deed ze haar laarzen uit voor de deur. "Hé, Lisanne! Dat is een tijd geleden! Hoe is het?" Aan het ronde tafeltje werd ik opeens vergezeld door een vriendin. "Ik ben vandaag eigenlijk aan het werk," vertelde ze. "Maar ten minste één keer in de week tijdens mijn middagpauze eet ik bij Ippo. Het is dan net alsof ik bij mijn moeder langs ga om te eten." Op dit punt hadden wij iets gemeen. Allebei ver van huis. Ik uit Nederland en zij uit Hokkaido, ook niet bepaald een plek waar je vanuit Naoshima even naartoe gaat. Er zijn momenten dat je een goed gesprek nodig hebt. En goed en gezond eten. Vooral op drukke en vermoeiende dagen zorgen de groenten van Ippo-san voor nieuwe energie. Over vermoeidheid gesproken... ook konden we elkaar een hand geven als het ging om drukte met werk de afgelopen periode. Het kunstfestival was enorm hectisch geweest en vreemd genoeg wisten de toeristen ook de periode erna van geen ophouden. Ging een laagseizoen er ooit nog eens aankomen? We hadden eens moeten weten...
Er zijn dingen die je niet kunt inplannen. En er zijn dingen die we nog net wel hadden kunnen inplannen. Net voordat alles zou veranderen. Het was een beetje een rare en tegelijkertijd een hele fijne dag. Een beetje zoals een droom. Met de kleine boot kwamen we aan in de haven van Uno, waar de buschauffeur stond te wachten in zijn auto. Hij keek op van zijn iPad waarop hij ongetwijfeld weer de best beoordeelde 'zaakjes' van Kagawa zat op te zoeken. In de auto bedankten we hem al gelijk, dat wij dit weer met hem samen mochten meemaken. Voor mij was het de tweede keer dat ik meedeed aan 'de tour', voor haar was het de zoveelste keer (ze was de tel inmiddels kwijtgeraakt). Al gauw gingen we de weg op en raakten we op een plezierige manier aan de praat over de dikke noedels die we vandaag zouden verorberen. Waar hadden we de vorige keren ook alweer udon met elkaar gegeten? Wat voor seizoen was het toen? En welke weersomstandigheden? Vandaag hadden we in ieder geval heel erg geboft: het was prachtig weer. Vanuit de auto zagen we het slaperige stadje Tamano tot leven komen onder de blauwe lucht. Tunnels brachten ons door de grof gevormde bergen en rotsen die dit plaatsje rijk is. En toen zagen wij de zee, zo blauw. Over een kronkelende weg reden wij parallel langs het water. In de verte zagen wij al de Grote Brug van Seto opdoemen...
Het blijft zo ontzettend gaaf, zo vreselijk cool. Dat gevoel! Om over een hele zee heen te rijden. Om vanaf zo'n hoog punt alles te overzien: alle boten en eilanden zijn opeens heel klein geworden en liggen aan onze voeten. De lichte nevel in de verte en de zon die er doorheen schijnt zorgt voor een adembenemend schouwspel van licht en donker. Het is onbeschrijfelijk mooi. En gelukkig raken wij, ook als bewoners van Setouchi, nooit aan deze schoonheid gewend. Als de brug aan een einde komt, voelt het alsof we teruggekeerd zijn in de normale wereld. Het plaatsje Sakaide in Kagawa prefectuur is een industriële havenstad en we worden omringd door de rook van de raffinaderijen. We rijden verder door, het binnenland in. De chauffeur legt uit dat wij deze keer naar het westen van de udon-prefectuur zullen rijden in de richting van Mitoyoshi en Kanonji. Ik herinner mij deze plaatsjes gelijk van mijn belevenissen tijdens de Setouchi Triennale. Via de havens van deze twee kleine plaatsjes reisde ik af in de richting de eilanden Awashima en Ibukijima. Toen ik vertelde over de sardientjes op Ibukijima begon de chauffeur te grinniken. "Vandaag zal ik Lisanne iets laten eten waar ze versteld van zal staan!" zei hij samenzweerderige manier. Het zou een dag vol verrassingen worden.
Tussen de rijstvelden en de ronde bergen kwamen wij uit op een woonerf. De auto werd geparkeerd naast een houten schuur, wat tot mijn verbazing onze eerste bestemming zou zijn.  Yamashita udon bleek een typisch ‘self service’ udonrestaurant te zijn, maar dan weer iets anders dan je in steden zoals Takamatsu ziet. Vanuit je zitplaats die bestaat uit eenvoudige houten stoeltjes en in plastic gewikkelde tafeltjes kijk je uit op een ietwat rommelige ‘open keuken’ waar twee omaatjes met handdoekjes om geknoopt hun uiterste best staan te doen boven het frituurvet waar ze de meest knapperige tempura uit tevoorschijn toveren. Van de chauffeur moesten wij natuurlijk de specialiteit van deze udonschuur proeven. Daarom pakte hij al de metalen tang voor ons en voordat wij ook maar een hand konden uitsteken verscheen er een bolletje tempura met verse garnaaltjes erin naast mijn kom. Vervolgens bij de kassa slechts 300 yen afrekenen voor deze heerlijke maaltijd en dan maar smullen.

De garnaaltjes in een laagje beslag bleken behoorlijk zout en knapperig te zijn. Oude mannetjes die van hun tv programma opkeken naar ons, hoe een ongebruikelijk stel zoals wij zeer uitgelaten zaten te smullen van dikke noedels. De gesprekken kwamen op gang en wij kwamen gaandeweg steeds meer te weten over de man die ons wegwijs maakte door deze udon prefectuur van Japan. Voordat we opstonden om te vertrekken naar ‘de volgende’ liet hij ons een foto van een hondje met een eigenwijze uitdrukking zien. Nu mijn zoons het huis uit zijn zou ik wel weer wat gezelschap willen hebben. Hij vertelde over zijn briljante plan om een shiba inu hondje in huis te nemen en wij stemden toe dat wij dat een heel goed idee vonden.
Met een vrolijke uitdrukking leidde hij ons rond door de plaatsjes tussen de ronde bergen. Over provinciale weggetjes passeerden we mooie straatbeelden met houten huisjes die uiteindelijk  opnieuw plaats maakten  voor de kust. De chauffeur wees ons een strand aan dat zeer populair is als badplaats en naar een klein gebouwtje ernaast waar je het lekkerste schaafijs kunt kopen. In de zomer komen we terug! Zeiden wij enthousiast. Toen verbaasden we ons weer over vreemde planten langs de weg, een soort aloë vera met oranje bloemen die mij aan de planten in Okinawa deden denken. En het bleef een dag van ontdekkingen. Zo kwamen we bij iemand thuis in een chaotische huiskamer, waar de groenten open en bloot op zowel de counter als op de grond lagen en waar je zelf bouillon op je noedels moest scheppen waar de iriko sardientjes gewoon nog inzaten. (Dat bedoelde hij dus!) De oudere kokkin met het bloemetjesschortje maakte zich zorgen. “Eet zij dat wel?” vroeg zij, met de ogen van mij afgewend. “Maar natuurlijk, ze is er gek op! En ze is Japanser dan wij!” viel de buschauffeur voor mij in. Toen zij doorhad dat ik ook Japans sprak liet ze mij een van haar schatten zien. Een mooie tekening van haar en het ‘restaurant’ in gewassen inkt. Hij zou zijn gemaakt door ene Tim uit Amsterdam die (indrukwekkend genoeg!) de 88 tempels van Shikoku te voet zou zijn afgegaan. Iets om trots op te zijn.
Na al dit spartaanse noedelavontuur volgde een onverwachts mooi udonrestaurant, waarvan de voorgevel eerder deed denken aan een schattig café waar je taartjes kunt kopen. Het bleek een trendy restaurantje te zijn waar innovatieve (vreemde?) udongerechten werden bereid door jonge mensen die daarnaast ook nog samenwerken met de lokale boeren. Zo verkochten zij naast udon ook blueberry jam van vergeoogste bessen. Ook kreeg ik bij mijn kommetje udon gratis stukjes gestoofde daikon van ‘mensen uit de buurt’. “Pas op, er kunnen harde stukjes in zitten!” waarschuwden zij. De diepe sojasaussmaak in deze sappige groente was een mooie herinnering voor mijn smaakpapillen. De zeer stevige bite van de udon zorgden voor goed kauwen en dus voor goede gesprekken. Ik vertelde dat het gerecht dat zij had genomen mij erg deed denken aan mijn studie in Yamagata. De geur van de soep waar konnyaku gelei, dorpsaardappeltjes en rundvlees in dreven deed mij sterk denken aan die dag bij de rivier toen ik met mijn vrienden samen ‘imoni’ maakte, een stoofpot die in de herfst buiten de deur wordt gegeten. Mijn vriendin lachtte. “Dat is toch met zo’n enorme pan waar met een hijskraan in wordt geroerd?” Jawel, dat ik bij die eigengereide mensen uit Yamagata mocht kennismaken met dit prachtige land is nog steeds een onvervangbare herinnering…  Inmiddels zijn er sindsdien alweer 8 jaren verstreken.  De tijd gaat voorbij, en ja, de tijd is het allerdierbaarste.
Eenmaal weer in de auto raakte de buschauffeur in een melancholische bui. “Het leven gaat om lijden en genieten… maar mensen hebben helaas de neiging om zich alleen maar op het lijden te richten in de hoop dat dit ooit tot geluk zal leiden” zei hij. Later, toen we rond het middaguur eenmaal waren uitgestapt bij de volgende bestemming, en wij met onze stokjes het eigeel roerden door de zachte noedels van onze volgende kom,  ging hij verder. “Het is alweer 3 jaar geleden sinds zij er niet meer is. Ze mankeerde niks, was nooit ziek en opeens zakte zij in elkaar. Wij hebben haar nooit gedag kunnen zeggen.” Geschokt keken wij hem aan en luisterden naar deze onthulling. “Het kan zo voorbij zijn. Daarom moeten wij niet alleen lijden. Wij moeten mooie dingen zien, lekkere dingen eten, van het leven genieten.” Wij knikten, konden het er alleen maar mee eens zijn. En opeens begrepen wij de persoon beter die achter het stuur zat, die door anderen vreemd werd gevonden, soms zelfs met de nek werd aangekeken. En de persoon die ons nu de mooiste plekken van Kagawa wilde laten zien. Samen beklommen we de mythische Shiudeyama. Eerst een stukje met de auto de berg op, en het laatste stukje te voet. Een adembenemend uitzicht bracht ons tot zwijgen. In een lichte nevel die werd gebroken door het zonlicht, lagen de eilanden van mijn verhalen: Ibukijima, Takamijima, Shamijima, en daarginds, heel ver weg Naoshima.
… Waar ben ik? Is dit nog wel Naoshima? De gele pompoen staat onaangeroerd op de pier in het zonnetje. Niemand die hem meer lastigvalt. Ik kijk om me heen. Het gras is prachtig groen geworden. Onder de pijnbomen loop ik door de schaduw richting het bankje met uitzicht op zee. Een vast rustpunt van mijn dagelijkse wandeling sinds alles anders zou worden. Even doe ik mijn hoedje af en schuif ik het lapje indigogekleurde stof richting mijn kin. Heerlijk om even de lucht in te ademen. Het ruikt zout. Na een slokje water vervolg ik mijn wandeling. In de verte zie ik iemand aankomen. Bekende ogen. En even duurt het voordat ze de mijne herkent. “O, jij bent het Lisanne! Een wandeling?” Het lapje stof met bootjes erop beweegt terwijl ze praat. “Ja, vandaag houd ik het alleen op een wandeling. Kom jij net terug van de lounge?” “Ja, ook vandaag heb ik weer gewerkt aan mijn droogbloemen. Trouwens…” begon ze samenzweerderig. “Ik wil iets bedenken waarin wij ze kunnen gebruiken, als cadeautje voor de gasten. Als jij misschien een leuk idee hebt wat wij hier nog niet hebben gedaan, al is het maar bijvoorbeeld iets van je basisschooltijd in Nederland, kun je het me dan laten weten?” Haar enthousiasme maakt me vrolijk. Ik moest er even over nadenken, maar zei dat ik haar snel weer op Line zou berichten. “Jaa ne!” zwaaide ze. Doei. En weg was ze.
Berichtjes schrijven aan vrienden. Foto’s en tekeningen uitwisselen. Kletsen met familie. Het voelt alsof iedereen even naast mijn bureau staat. Ik kijk op van de computer. Door de vitragegordijnen maken de zonnestralen mooie golfjes maken op de houten vloer. Voor het raam dansen steeds twee zwaluwen door de lucht. Soms kijk ik even naar ze, als de kleine blauwe vogeltjes op de elektriciteitsdraden rusten. En dan dwalen mijn gedachten af. Hoe lang zal het zo blijven? Zullen we ooit weer aan het werk kunnen? En hoe lang zal Naoshima nog gespaard blijven? Onzekerheid kan je onrustig maken. Het idee dat eigenlijk niks zeker is kan je dan vreemd genoeg weer rustig maken. Elke dag is er één en elke dag is belangrijk. En ook morgen zullen we weer wandelen en iets nieuws ontdekken.