donderdag 9 mei 2019

Ogijima Memories


Een ongewone dag in Takamatsu. Ik zit op een stoel en wacht op de boot. Dezelfde stoelen en dezelfde wachtruimte als altijd. Dezelfde drinkautomaten. Dezelfde eilanders die met hun 'onba' (duwkarretje) boodschappen en ander overlevingsmateriaal vervoeren naar 'hun ferry'. En toch is de sfeer anders dan anders. Er zijn veel mensen in de haven, en allemaal lijken ze ergens naartoe te gaan met een bepaald doel. In de wachtruimte van de ferry word ik in de gaten gehouden door twee jongens met hesje en een 'staff' pasje om de hals. Ze aarzelen of ze me zullen aanspreken of niet. Buiten twijfelde een gelijksoortige oudere meneer niet: "For Megijima and Ogijima?" vraagt hij in het Engels. "Ik wil naar Ogijima," zeg ik in het Japans, en voeg eraan toe "Het kan toch niet zo zijn dat de boot volraakt?" "Nee, vandaag waarschijnlijk nog niet!" lacht hij. Desondanks heb ik het gevoel dat ik moet opschieten. Hoewel de kaartverkoop (30 minuten van tevoren) pas is begonnen, staat er tot mijn verbazing al een enorme rij bij zowel het loket als bij de ingang van de boot. Luchtig geklede mensen met hoedjes op, voornamelijk families met kinderen en jonge mensen met een opgetogen, uitgelaten uitdrukking. "Ik ga op reis!" "Ik ga naar een eiland!" lijken zij uit te roepen. Het werkt aanstekelijk en steeds meer raak ik opgewonden om nieuwe eilanden te ontdekken, nieuwe dingen te zien, mensen te ontmoeten en op een geheel nieuwe manier in aanraking te komen met hedendaagse kunst...



De Setouchi Triennale is begonnen! En toevallig had ik op de dag van de opening een dagje vrij. Genoeg reden om gelijk een reisje te maken naar één van de eilanden: het werd Ogijima. Een idyllisch eilandje waar ik een paar maanden geleden voor het eerst een kijkje nam, en diep onder de indruk raakte van het unieke, bergachtige landschap waar smalle straatjes van authentieke houten huisjes tegenaan waren gebouwd, alsof ze waren opgestapeld en een geheel leken te vormen. Klimmend en klauterend over stenen trappen en hellingen zonk ik steeds dieper weg in dit landschap. Ontdekte de schoonheid van de kleine binnentuintjes en de kleurige, organische muurschilderingen bij deze houten huisjes. Gemaakt van gerecycled hout van oude boten, een belangrijk middel van bestaan voor de eilanders, voelde ik al een duidelijke connectie tussen deze plek, de mensen en hun geschiedenis in deze plaats. Oude vrouwtjes die met onba tegen de heuvel aanklommen zeiden mij gedag. Een oranje kat gaf mij kopjes en vervolgde samen met mij mijn pad. En toen dat mooie moment waarop ik 'de top' van het eiland had bereikt bij de Toyotama schrijn, vanwaar het mooiste uitzicht op de binnenlandse zee, en alle eilandjes die ik daar heb leren kennen, te zien was. Een tunnel van zonlicht was te zien in de verte en verlichtte als een schijnwerper een vlek in de zee. Verder was het uitzicht nog donker en kil, zo aan het einde van de herfst. Door de harde wind bewogen de wolken snel voorbij.



En nu keerde ik terug naar dat eiland, maar deze keer in de lente, tijdens de festivalperiode. Een rode hobbelende boot met een onbeholpen tekening erop van een 'oni' (een duivel) en een vuurtoren. Was hij de vorige keer nog half leeg, deze keer moest ik moeite doen om een zitplaats te vinden. In het midden bij de tv dan maar, waar de naam van de nieuwe Japanse jaartelling en de kookwijze van bamboescheuten uitgebreid werd behandeld. De meesten van mijn reisgenoten hadden er echter geen aandacht voor. Reisgidsen lezen, op smartphones nog de laatste informatie zoeken, veel foto's maken van dit voor hun zo on-alledaagse landschap. De gezichten van de reizigers op de boot, die ik later overal op het kleine eilandje opnieuw zou tegenkomen, bleven mij bij. Natuurlijk gingen we met z'n allen dek op zodra er land in zicht kwam. Onder het typische steenachtige landschap zagen wij het haventje, met daar het bekende werk 'De oni van ogijima' van de Catalaanse kunstenaar Jaume Plensa als herkenningspunt. De witte koepel boven het havengebouw zag er van bovenaf uit als een wirwar van Romeinse letters en Japans hiragana schrift die samen een abstract geheel leken te vormen. Onder de blauwe lucht op deze prachtige zonnige dag, leek het net of deze letters zichzelf nog een keer 'tekenden', maar dan in schaduwen op de grond. De mensen die door de schaduwen heenliepen leken op te gaan in het gebouw en de omgeving.


Ogijima is een eiland dat uitnodigt tot wandelen. En klimmen en klauteren, wat een gevoel van nieuwsgierigheid aanwakkert. Wat zullen we weer achter het volgende hoekje, en achter die heuvel daar weer vinden? Direct achter het haventje ligt een 'torii' (een poort richting een heiligdom) met daarachter een rechtdoorgaande stenen trap. Een duidelijke wegwijzer. Met een kaart in de hand en subtiele blauwe wegwijzertjes richting de kunstwerken is het moeilijk om te verdwalen in het compacte dorpje. Als eerste belandde ik in een lichte binnentuin van een oud huis. Hoewel de veranda op een wel hele open uitzicht gaf op een gewone huiskamer (met tv, fitnessapparaat) lag daarnaast een gesloten, verstopte ruimte waar ik door een gordijn naar binnen trad. Beneden was het donker. Ik hoorde zacht kloppende, tingelende geluiden. Voor mij speelde zich een lichtspel af van schaduwen geprojecteerd op de muur. Schaduwen van wuivende grassen, bungelende takken en abstracte, draaiende figuren daar tussendoor. Het beeld werd omringd door grote bamboestengels die vanaf de vloer hoog boven mij uit torenden, tot aan het hoge plafond. Ik ontdekte een steile houten trap in een hoekje van de kamer, waar vandaan ik ver naar boven kon klimmen. Richting de vide van het huis, naar een prettige kleine ruimte omringd door warm licht. De geur van cederhout werd steeds sterker zo dicht bij het plafond. Aan de grove houten balken waren figuren bevestigd. Het waren instrumenten, en tegelijkertijd een soort organismen gemaakt van bamboe. Leken ze in het begin nog levenloze voorwerpen, stuk voor stuk kwamen zij tot leven en produceerden een soort concert van allemaal kleine, zachte geluidjes die samen groot muziekspel vormden. En steeds veranderde er iets in de ruimte: manieren waarop de figuren bewogen, welke geluiden zij maakten, het licht dat om hen heen viel. Ik was niet de enige die hier een lange tijd gefascineerd naar kon kijken en moest gauw plaats maken voor anderen om dit samen in deze nauwe ruimte te kunnen aanschouwen. We konden filmen en foto's nemen. En toch konden wij dit werk alleen maar hier ervaren.



Terug in de benedenruimte herkende ik silhouetten van de mysterieuze instrumenten geprojecteerd op de muur - er leek een verband te zijn. En, wellicht op een ietwat geforceerde wijze, begon ik ook een verband te zien tussen dit kunstwerk, dat op een levendige manier gebruik maakte van bamboe en hout, en de traditionele omgeving. Bij terugkomst in de tuin vroeg ik de oude man, die voor het festival als vrijwilliger werkte, of er misschien een relatie was tussen het werk en die werkplaats aan de rand van het huis. Deze was helemaal volgestouwd met ieder denkbaar (en ondenkbaar) oud gereedschap en spullen die je je maar kan voorstellen bij een oud Japans huis op het platteland. Van houten telramen tot rijstoogstmachines tot jaren 80 televisies. Opa moest niet echt iets hebben van mijn vage conceptuele speculaties. Met zijn hand wees hij naar de huiskamer "Tot hier is het huis... en daar begint het werk van de kunstenaar. Deze werkplaats heeft er niks mee te maken." Ik poogde toch door te vragen. "Maar is er dan een bepaalde reden waarom er is gekozen voor bamboe? Wordt dit materiaal vaker gebruikt op Ogijima?" Een nostalgische glimlach verscheen. "Vroeger maakten wij thuis vaak dingen van bamboe. Ik maakte met mijn opa samen take tonbo." Take tonbo... libelles gemaakt van bamboe. Terwijl ik mijn weg vervolgde, verder de berg op, stelde ik mij voor hoe kinderen zelfgemaakte vleugeltjes van bamboe hoog de lucht in stuurden. In de sterke wind van het eiland zouden zij ver weg vliegen, en misschien wel onvindbaar raken.


Een paar straatjes, kruidentuintjes en ruïne-achtige huizen verder, vond ik dan eindelijk 'nummer 12' van mijn kunstfestival paspoort op de top van een berg. Tot mijn verbazing was de deur echter gesloten. "Staff komt zo terug. Een ogenblik alstublieft." Ik schoot bijna in de lach van deze eiland-achtige praktijken, denkend aan een memootje dat ik laatst op de deur van het bakkertje van Naoshima vond: "Even wachten, we zijn nu boodschappen doen!" Omdat ik toch de tijd had, besloot ik om te wachten. De warme zon scheen in mijn gezicht en ik genoot van het uitzicht op de zee, de bloemen, de mensen... er kwamen andere bezoekers de heuvel op gewandeld. Ik herkende ze: dat jonge gezin met die hippe vader en moeder, dat schattige dochtertje met dat knuffelkonijn en die typische oogopslag, die mij ietwat deden denken aan de meisjes van Nara Yoshitomo. Een blik van herkenning, we zeiden elkaar gedag. "Dat meen je niet! Ze zijn er gewoon niet!" riep moeder vervolgens uit. We raakten aan de praat. Over dit eiland en dit soort gebruiken. Over waar ik vandaan kwam. Over waar zij vandaan kwamen. Tokyo... dat is geen verrassing. "Maar ik ben opgegroeid in Kagawa," zei vader met een warme blik. "Het is zeker fijn om weer terug te zijn?" zei ik. "Jazeker, dit is ook een fijne plek!" Net toen ik dacht een nieuw toekomstplan op het spoor te zijn, raakte het geduld op. "Ze zijn er nog steeds niet, en eigenlijk wilden we niet dit werk zien maar dat andere" zei moeder en ze gingen de heuvel af op weg naar het volgende. Op hun weg kruisde de vrijwilligster die mij, en het kunstwerk tegemoet kwam. Een meisje opende de deur en zette haar loketje op. Ze sprak me aan in het Engels. We raakten aan de praat. Over waar ik vandaan kwam. Over waar zij vandaan kwam... Taiwan! Ik vertelde dat ik binnenkort van plan ben om naar dit land af te reizen en dat ik ook een grote interesse heb in de Taiwanese kunstscene. Zij bleek geëngageerd te zijn in allerlei projecten voor culturele uitwisseling en hoewel ze (nog) geen Japans sprak, was erg onder de indruk van het land, de mensen, de gebruiken. Vrijwilligerswerk doen bij het kunstfestival was voor haar een waardevolle ervaring. "Please enjoy the art!" was het laatste dat ze mij zij, voordat ik het huis betrad.



Opnieuw een donkergekleurd houten huis, groot en met een open veranda en binnentuin, zoals je veel op Ogijima ziet. En hier was iets bijzonders aan de hand. Het was onmogelijk om het huis te betreden zonder op te letten waar je liep. Grote langwerpige voorwerpen, sculpturen van piepschuim vulden letterlijk de ruimte. En geen van hen stond stil, alles was continu in beweging. Draaiden rondjes in het midden van de ruimte of waren, als een soort spit, bevestigd aan twee ruimtes van de muur waar ze steeds rondjes om hun as draaiden. Pas als je dichterbij kijkt zie je uit hoeveel verschillende kleine dingen het bestaat. Kleurige oude postkaarten, kokeshi poppetjes, spiegels, tandenborstels. Je zou je kunnen voorstellen dat als je in een oud huis alle kasten zou opentrekken en alles bij elkaar zou rapen, dat zou kunnen resulteren in deze opstapeling van spullen. Toch waren ook deze spullen verre van levenloos... ze waren continu in beweging, vormden samen een geheel dat in de ruimte precies rond kon draaien zonder de muur te raken (soms moest je oppassen dat je zelf niet in botsing kwam met de objecten)! Daarbij pasten de spullen bij iedere ruimte. In de keuken ronddraaiend werk met kopjes en potjes eraan vastgemaakt, zelf in de badkamer een werk met draaiende spiegeltjes en toiletartikelen. Aan het eind van de wandeling door het huis leek je de sfeer te hebben geademd van de levens van de mensen die hier woonden... maar wacht, het was toch een leeg huis? En toch voelde het niet meer zo. De vrijwilligster vertelde dat de kunstenaar allerlei oude spullen had gekregen van mensen op Ogijima en veel van deze in zijn werk gebruikte. Verder liet hij niet veel los over de betekenis. "Volgens heeft de kunstenaar geen duidelijke boodschap en wil hij dat de kijker zelf allerlei verhalen bedenkt over de dingen die we zien."


Dat geloof ik ook. En misschien maakt dat alles wat we zien des te interessanter... De rest van de dag op Ogijima deed ik allerlei indrukken op van oude huisjes en zijn bewoners, bijzondere landschappen en de mensen die zich hier samen met mij bevonden. In een oud pakhuis vond ik een bundel van kettingen vanaf het plafond tot de vloer met daaraan kleine, fonkelende flesjes waren bevestigd, omgeven door een flauw licht. In de flesjes vond ik willekeurige plaatjes en foto's, waaronder die van een vuurtoren. Een eilandbewoner vertelde mij dat dit flesjes van herinneringen waren aan Ogijima, en dat de vuurtoren op de klif van het eiland hierin centraal staat. "De vuurtoren van Ogijima is heel bijzonder. Als je tijd hebt moet je hem bekijken! Eigenlijk mag dit niet, maar nu je speciaal toch hier naartoe bent gekomen..." vervolgens tilde hij de kettingen op en liet hij mij in het midden van de cirkel staan. Toen werd ik omringd door duizend flesjes met foto's van allerlei mensen, spullen, plekken en natuurlijk de vuurtoren. Het resultaat van een ontdekkingstocht naar Ogijima, en naar alle dingen die deze plek bijzonder maken. Van deze ontdekkingen, en de veelvuldigheid van manieren waarop deze tot uitdrukking kunnen komen, werd ik mij nog meer bewust toen ik daadwerkelijk in contact kwam met de kunstenaars. Tot mijn verrassing was het mogelijk om het werkproces van Murayama Goro te bezichtigen. Een muurschildering in een huis, waarbij alle muren en het plafond waren beschilderd met organische abstracte figuren, die ergens deden denken aan de groei van planten tegen een muur. Er was een herhaling van dezelfde kleurpatronen: helder rood, groen, geel... dezelfde kleuren als de banden van de tatamimatten en de traptreden in dit huis. Fellere kleuren dan ik eerder in oude Japanse huizen heb gezien en die blijkbaar een inspiratie vormen. Graag had ik hem ernaar willen vragen, maar de kunstenaar stond geconcentreerd in een hoekje van het huis. Stukje bij beetje kwam er een lijntje bij, en over iedere verfstreek leek hij diep na te denken. Ik besloot hem maar met rust te laten.



Maar raakte wel benieuwd naar een 'volgende keer' dat ik dit werk zal zien. Zal het dan af zijn? Bestaat er wel zoiets als een werk dat 'af' is? Of kent alles een volgende keer? Verschillende gedachten en vragen over alles wat ik die dag gezien had kwamen naar boven, toen ik in rust keek naar het werk 'The Sea Within - The See Within'. In een donkere ruimte kon ik blijven kijken naar een sereen beeld van stromend water en een dier dat zich hierin bevond. Het was van zo dichtbij gefilmd, dat enkel de herhaling van vloeiende bewegingen, de lichtpaarse, bruine en blauwe kleuren binnenkwamen. Pas toen wij, de kijkers, ons beter concentreerden, zagen we de zuignappen, de structuur van de huid, het oog, het schuim... "Een octopus?" zei een mevrouw naast mij geschrokken. "Ja, het is een octopus!" zei haar dochter enthousiast. Een ware ontdekking. Het dier en het water bleven langzaam in beweging. Naarmate dat mijn ogen meer aan het duister gewend raakten werd ik mij meer bewust van de omgeving. Van de donkere muren waarop de octopus 'zwom', van de waterpoel tegenover de muur, waarop de reflectie van het dier zichtbaar was in het zachte stromende water. En toen opeens kwam, per toeval, op dat moment de kunstenares binnen. Nadat ik haar had gevraagd naar de beste manier om dit werk te bekijken, kreeg ik meer te horen over achtergrond van dit werk. Een verhaal over uitwisseling tussen haar en de community van het eiland, het onderzoek naar de geschiedenis van Ogijima. Ze vertelde over de traditie van het octopus vissen en de vissers die op een levenslustige manier deze manier van bestaan nog steeds nastreven. Over het bijzondere moment waarop zij haar 'hun' octopus lieten filmen en hoe dit wezen van de zee opnieuw vorm kreeg binnen dit gebouw... dat een verlaten postkantoor bleek te zijn. Nu een getransformeerde ruimte door dit concept van haar, en van de mensen van Ogijima die met haar samenwerkten en op hun manier een trots hebben ontwikkeld voor 'hun' eiland en de kunstwerken die daar nu te zien zijn.



De warmte van deze community is iets dat in haar verhaal doorklonk, en dat ik ook voelde in mijn ontmoetingen met mensen op het eiland. Het stralende gezicht van de mevrouw van het restaurantje toen ik haar zei dat haar tempura van octopus en tuinboontjes de lekkerste waren die ik ooit had gegeten. Het enthousiaste verhaal van een jonge vrouw over haar nieuwe leven op het eiland en het opzetten van haar eigen winkeltje. En natuurlijk het verhaal van de oude meneer over de vuurtoren van Ogijima. De volgende keer wil ik daar absoluut naartoe wandelen! Bedacht ik me, terwijl ik het kleine eilandje, en de witte 'schelp' van lettertjes steeds verder van mij vandaan bewogen. In de boot zie ik veel dezelfde gezichten als op de heenweg... maar niet iedereen. Opeens herinnerde ik me dat jonge hippe gezin. In een verlaten vissershaventje zag ik een kleine pier in de verte met daarop een paar vreemde paddenstoelvormige beelden op pootjes. Deze werden opeens vergezeld door drie kleine figuurtjes: een man, een vrouw en een klein meisje. Ze liepen heen en weer, sprongen en klauterden om het sculptuur heen. Hoe klein ze ook waren... ik weet zeker dat zij het waren. Niet alleen het kunstwerk was een kunstwerk. Zij waren dat ook. Een van de vele beelden van dit eiland die in mijn herinneringen achterbleven.