zaterdag 9 mei 2020

Als een droom

Ik kon mijn ogen niet geloven. Dacht ik dat ik op tijd in de haven zou zijn voor de ferry richting Takamatsu, blijkt dat er geen enkele mogelijkheid is geweest om de mensenmassa ook maar enigszins te ontwijken. Het havengebouwtje puilde uit van de mensen en de ‘rij’ was als een enorme slang die de weg kwijt was en talloze keren was afgeslagen. Maar waar is de staart? En heeft het überhaupt nog zin om in de rij te staan voor deze laatste boot van vandaag? Vroeg ik mij ongerust af. Toch hield ik de moed erin en ging ik, voor zover ik begreep waar het einde was, in de rij staan. Om mij heen was de sfeer onrustig geworden, al kon ik maar weinig van de gejaagde gesprekken om mij heen verstaan. Het waren voornamelijk Chinese jongeren die vandaag Naoshima hadden bezocht en nog met de laatste ferry poogden terug te gaan naar Takamatsu. Je zou maar vanavond met het vliegtuig richting Shanghai moeten, bedacht ik me angstig. Niet dat mijn situatie nou zo fijn was… Ik had de kaartjes voor de voorstelling van die avond had gekocht en al maanden in mijn hoofd gehad dat ik van alle evenementen van de Setouchi Triennale in ieder geval dit werk wilde zien.Het zou zo jammer zijn als ik het zou missen.
Ondertussen liep de spanning op. De rij ging wel vooruit, maar te langzaam. De ingang van de boot was nog ontzettend ver weg en we hadden al vele benen het dek op zien lopen. Steeds een stukje vooruit, dicht tegen iedereen aan, als een kudde schapen. Begeleid door de mensen van het havenbedrijf met bordjes en vlaggetjes, als schapenhoeders. Opeens zag ik iemand met een informatiebord middenin de rij staan. Ik ging op m’n tenen staan om te zien wat er stond, maar de mevrouw die het bord omhoog hield was nog aardig ver weg. “Vanaf hier de rij voor de extra ferry”. Opeens ging de poort van de boot omhoog totdat deze volledig gesloten was en vertrok richting Takamatsu. Een extra ferry… dat is wel leuk en aardig, maar de rij is nog steeds enorm en wie zegt dat wij daar dan wel allemaal op kunnen? Ik begon weer onrustig te worden. En velen met mij. Mensen die subtiel probeerden een beetje voor te piepen, en de boze stemmen van mensen die zich daaraan ergerden. Een zucht van verlichting toen ik eenmaal op het dek stond van de ‘extra ferry’, een oude boot die meer gericht leek te zijn op een paar werknemers van Mitsubishi Material in de plaats van deze duizend toeristen en Lisanne.
Na mijn Seven Eleven maaltijd achter de kiezen te hebben en tussen alle hoofden door te hebben genoten van hoe de zon in zee zakte, kwamen we aan in de stad. Sommigen haastten zich de boot af, misschien nog maar net op tijd voor hun volgende aansluiting (Bus? Trein? Vliegtuig?!), anderen deden het rustig aan. Zo ook ik, de kaartjes had ik immers al en de voorstelling, die zou beginnen in de Sunport Takamatsu Hall, begon pas over een uur. Sunport Takamatsu is een hoog, licht gebouw dat vanaf de boot al snel in het oog valt en deel uitmaakt van de bescheiden maar mooie ‘skyline’ van Takamatsu. Het gebouw is verbonden met de ferryterminal door een overdekte looproute. Hoewel ik eerst dacht dat het alleen functioneerde als winkel en kantoorgebouw, blijken er ook een aantal theaterzalen in gevestigd te zijn, waar zowel performances als films worden vertoond. Wat er vanavond precies vertoond zou worden kon ik mij nog niet goed voorstellen, maar ik begreep wel dat dit stuk van de Nederlandse kunstenaar Christiaan Bastiaans een  unieke samenkomst van verschillende werelden zou zijn. Samen met een grote groep bezoekers, voornamelijk Japanners maar ook enkele buitenlanders,  stond ik klaar om dit allemaal te kunnen ervaren.

Een donkere ruimte. En dan een beetje licht. Mensen verschijnen. Een moment denk ik dat het een film is, en zij acteurs zijn die op een vierkant kader verschijnen. Wanneer ik beter kijk zie ik pas dat zij echt voor mij staan. Een jonge dame, een mevrouw, een oudere meneer. In het zwart gekleed, hun gezichten lijken licht te geven zodra zij spreken. In verschillende talen spreken zij, Japans en Engels. Maar toch verstaan zij elkaar. Hun verhalen zijn onsamenhangend en gaan langs ons heen. Als publiek begrijp je enerzijds nog niet goed waar zij het over hebben, maar kijkend naar hun gepijnigde blikken, de hoge tonen waarin zij tot kippevel toe breekbaar zingen, begrijp je dat zij lijden. Zij zitten gevangen. Hun bestaan in de donkere wereld wordt onderbroken, nee eerder doorkruist door een andere verhaallijn dat zich afspeelt op een scherm die parallel lijkt te staan aan hun wereld. Een mevrouw met lichte haren en een vriendelijk gezicht. Haar zachte stem vertelt over haar wens om naar een zeker eiland af te reizen. De terminal van Takamatsu waar ik zojuist was komt groot in beeld. Opeens een hele open, lichte wereld. We zien haar in een bootje stappen en dromerig naar buiten kijken, steeds dichter bij haar bestemming Oshima. Het eiland waar mensen vroeger naartoe gingen zodra hun ziekte werd ontdekt, waarschijnlijk nog niet wetende dat zij tot het einde van hun leven hier zouden blijven.
Als een donderschok komen we in een andere dimensie terecht. Angstaanjagende beelden onderbreken de ogenschijnlijk vredige wereld waarin zij zojuist aan land was gegaan. We zien donkere ruimtes, nauwe gangpaden. En maken kennis met nieuwe personages. Jonge mensen met eccentrieke uitdossingen in een surrealistische wereld. Zij zitten gevangen en schreeuwen het uit. Zij worden onderdrukt. Kritische blikken van artsen die hun bestaan enkel koeltjes analyseren, maar hen geen enkele manier van een menselijk bestaan gunnen. Hoewel de gebeurtenissen te abstract zijn om te kunnen begrijpen, voel ik mijn maag omkeren bij het aanschouwen van deze ‘gruwelijkheden’ en ben opgelucht zodra de chaotische scenes worden onderbroken door een ander verhaal. In het midden van de donkere zaal staat een figuur. Het is een oudere man in een pak dat zijn hele lichaam en ook een deel van zijn hoofd bedekt. Hij heeft allerlei touwen om zich heen, wat enerzijds doet denken aan de vele touwen van vissers die je overal ziet liggen hier op de eilanden. Anderzijds lijkt de ‘dans’ die hij maakt weer een verband te hebben met de gesloten, geisoleerde situatie van de mensen op dit eiland. De langzame, ronde bewegingen met zijn armen waarmee hij de touwen tot beweging brengt, de schuifelende manier van lopen. De manier waarop hij de gevoelens van deze mensen verbeeldt is vervreemdend en tegelijkertijd zo prachtig.
Dialogen en gezang van de ‘echte’ mensen op het podium worden zo nu en dan afgewisseld door lieflijke stemmen en beelden van oude mensen die achter hen verschijnen. Een oudere mevrouw vertelt over haar leven in het sanitorium op Oshima waar zij sinds haar twintigerjaren heeft doorgebracht. Zij is een van de patienten waar op jongere leeftijd leprosie werd geconstanteerd in een tijd waarin nog niet veel bekend was over de ziekte. Isolatie van de rest van de wereld, ook van je familie en vrienden, werd destijds nog de beste oplossing geacht. En zo zijn er al vijftig jaar voorbij gegaan sinds de patienten aan land kwamen op dit eiland om opgenomen te worden en niet meer terug te keren. Hoewel de leprosie preventiewet inmiddels is afgeschaft, wonen nog steeds veel van de voormalige patienten op het eiland. Duidelijk dragen velen van hen nog de littekens van een zwaar leven. Sommigen blind of doof. Maar regelmatig verschijnt er een glimlach op de oude gezichten, wanneer zij vertellen, wanneer zij omhelsd worden door actice Liv Ullman die zich vele jaren heeft ingezet voor deze mensen. Een gevoel van verlichting krijgen we bij de laatste scène, wanneer zij samen met een oude man danst onder de kersenbloesems die in volle bloei staan. Hij speelt op een mondharmonica. Het verdrietige en tegelijkertijd vrolijke geluid omringd door roze bloemblaadjes brengt een mooi slot aan dit verhaal.
Een verhaal dat aan een einde gekomen is, maar dat niet vergeten mag worden, bedacht ik me, terwijl ik naar buiten keek naar de lichtjes van de stad. Wanneer wij verder van Takamatsu verwijderd raakten, zag ik alleen nog maar duisternis om mij heen. De zee en de lucht zijn donkere vlakken. Nog steeds had ik het gevoel dat ik de wereld van de voorstelling nog niet helemaal had verlaten. De intense uitdrukking van de personages, de verdrietige zang, de elegantie van traditioneel Japans theater en uiteindelijk een slot dat mij ontroerde. Ik keek nog vele malen in het boekje met verhalen over Oshima die ik voor de vertoning kreeg. Ondertussen leek de kleine boot over de golven te vliegen, zo snel bracht hij mij weer naar Naoshima. Wij zijn vrij en kunnen overal naartoe waar me maar willen. Maar wat nou als wij ook door een wending van het lot opeens zouden worden beperkt in onze vrijheid? En gezond zijn niet meer vanzelfsprekend zou zijn? Het zijn vraagstukken waar ik tot nu toe niet vaak genoeg bij stil had gestaan, realiseerde ik me. Mijn gedachten verdwenen in de donkere nacht.
En toen was het ochtend. Flauw zonlicht scheen roze-achtig door mijn gordijnen. Buiten was het ijskoud. De lucht is felblauw, bijna blauwer dan mijn aquarelpotloden. Met veel moeite opende ik de zeer stevig dichtgeknoopte plastic zak vol met ronde, zware lekkernijen. De mochi van het nieuwe jaar, vers geplet uit de enorme vijzel uit de voortuin van de dorpsoudste. Deze kon moeilijk geweigerd worden. Toch probeerden collega's er met smoesje onderuit te komen. "Maar ik heb al zoveel mochi gekregen dit jaar!" "Sorry, ik ben op dieet." Ik had echter eerder zorgen om de oudbakkenheid van de rijstcakes: "Het is al  januari... kun je ze nog wel eten?" "Natuurlijk wel! Chin (piep) ze gewoon even op!" zei onze goedlachse manager bemoedigend. "Dat noem je toch geen chin! Dat ding heet een magnetron!" verbeterde mijn sempai haar. "Maar Lisanne, jij begreep toch wel wat ik bedoelde?" Natuurlijk begreep ik het. Na 3 jaar begin steeds meer Japanse dingen te begrijpen... (Wacht, 3 jaar al?!)
De taal, de gebruiken, de dingen waar mensen waarde aan hechten, naar uitkijken. Ongemerkt zijn deze ook een deel van mij geworden. En zo vroor ik ook de mochi in na Nieuwjaar. En ging ik naar het Hachiman-jinja voor hatsumode, het eerste gebed van het nieuwe jaar. Hachiman-jinja is het belangrijkste shinto heiligdom van Naoshima: in tegenstelling tot andere tempels worden hier alle lokale goden van het eiland vereerd. De ingang van Hachiman-jinja is makkelijk te herkennen aan de grote stenen torii, een opvallende verschijning tegenover de lage houten huisjes eromheen. Achter deze poort, het begin van het heiligdom, doemt al gauw een enorme trap op waarvan de massieve stenen traptreden steil tegen de heuvel aan zijn gebouwd. Vooral voor mensen die niet van wandelen houden is het wellicht een angstaanjagende gedachte dat deze trap zo'n honderd treden hoog is... echter houd ik wel erg van wandelen en deze trap is zeker geen probleem voor mij. En zo ging ik, stukje bij beetje, steeds hoger de berg op, geleidelijk aan raakte ik verwijderd van de gewone wereld met huisjes, mensen en winkels en betrad een wereld omgeven door groen. Door het bladerdek van de vele bomen, die als een tunnel zich om mij heen vormden, vielen flauwe stralen zonlicht naar binnen. De schitteringen dansten op de treden, over mijn voeten die ik tijdens de klim goed in de gaten hield. 
Halverwege een ontmoeting met de twee tempelwachters die aan weerszijden van het pad, ieder in een soort houten kamertje geplaatst met een opening aan een kant. De duidelijk getekende ogen kijken mij strak aan en ook de felle kleuren van hun gewaden zijn ongebruikelijk. Evenals het schattige poesje dat aan een kant van het kamertje nieuwsgierig naar een van de heren opkijkt. Het is een houten beeldje gemaakt door de beeldhouwster Miwa Michiyo. Het was aan haar om op een subtiele manier nieuw leven te blazen in deze tempel, waar juist plannen waren gemaakt om de oude vervaagde beelden een likje verf te geven. Gewoonlijk houd ik niet van overgeschilderde dingen, het voelt zonde. Want zijn dingen niet juist mooi omdat ze oud zijn? Toch vind ik het nieuwe beeld in gematigd felle kleuren in combinatie met het grijnzende poezenbeest een mooie combinatie, een lieflijke samenkomst van oud en nieuw die echt bij Naoshima past.
Ik ben niet alleen op de trap. Voor mij lopen in langzaam en weifelend tempel twee jongetjes met hun moeder. Iedere keer omkijken hoe hoog we zijn... en steeds is de bewoonde wereld ietsje verder weg. Ik denk terug aan mijn eigen ouders die ik ontmoette in mijn eerste droom van het Nieuwe Jaar, ook iets belangrijks waar mensen hier bij stilstaan. Ik droomde dat ik mijn familie in Nederland weer zag, een beeld van een zeer nabije toekomst. Wat kijk ik ernaar uit om binnenkort even terug te gaan! Maar nu ben ik nog hier, mijn voeten raken bijna de veilige zanderige grond. Ik heb de berg beklommen. In het midden van de open plek een houten tempelgebouw met uitzicht op zee door de naalden van de pijnbomen bekeken. Denkend aan ons geluk en onze gezondheid gooide ik een muntje in de saisenbako, een houten doosje met een horizontale opening aan de bovenkant. Toen moest ik even denken. Twee keer buigen, twee keer klappen en dan is het tijd voor een wens. Even mijn ogen dicht. Dan weer open. En nog één keer buigen... ik hoop dat ik het goed heb gedaan.
Vervolgens viel mijn oog op een doosje in de hoek van de tempel. Er lagen kleine, langwerpige strookjes papier in. Omikuji, oftewel toekomstvoorspellingen. "Pas pakken als je klaar bent met bidden" stond er streng. Ik raakte nieuwgierig en angstig tegelijkertijd... angst voor een slecht teken. Maar deze keer had ik vertrouwen in de goden van Naoshima. Ik vouwde een briefje voorzichtig open en zag een woord staan waarvan de zon feller leek te schijnen. Niet te geloven! Zoveel geluk heb ik nog nooit gehad! Voorspoed, hoop, nieuwe kansen... echter, je moet wel op een oprechte manier met je geluk omgaan stond er, als voorwaarde bij. Anders dan gaat alles alsnog niet goed. Ik zal m'n best doen, en mijn geluk op de beste manier benutten! Bedacht ik me, en daalde opgetogen de grote traptreden weer af. Licht aan het einde van de tunnel.
En toen bevond ik mij weer in Honmura. Boven de deuren van donkergekleurde houten huizen hingen 'shimenawa', versieringen voor het Nieuwe Jaar. Toen ik tot mijn verbazing zag dat de buurtsuper al om deze tijd niet zoveel meer verkocht besloot ik om toch eens binnen te stappen in dat gezellig-uitziende huiskamercafé tegenover de winkel. Al een lange tijd was ik benieuwd naar de zogenaamde 'lunches van de dag' bij 'Café Ippo'. De eigenaren, een ouder stel, merkten niet dat ik binnenkwam, zo toegewijd stonden ze van alles voor te bereiden in de keuken. Ik nam plaats in een luie stoel aan een rond houten tafeltje. De andere bezoekers van het café zaten er ongedwongen bij. Kijkend uit het raam waar het zonnetje doorheen scheen. Tegenover mij stond een tv, waar de actrices van de nieuwste ochtendsoap van de NHK in de prachtigste kimono de meest luxueuze osechi proefden, allerlei lekkernijen met voorspoedige symboliek die in Japan met het nieuwe jaar worden geassocieerd.
Opgaand in de kleurigheid van het culinaire feest,schrok ik bijna toen de mevrouw van het café opeens naast mij stond. Ik bestelde de 'Veggie plate', vandaag met een kruidige kikkererwtenkroket in de hoofdrol. Terwijl mijn maaltijd werd klaargemaakt dacht ik terug aan een bijzondere ontmoeting die ik laatst had. Aan het eind van haar verblijf van 7 dagen (!) in Naoshima maakte ik kennis met een gepassioneerd schrijfster uit de Verenigde Staten, op zoek naar rust en inspiratie op de eilanden. Haar blauwe ogen werden waterig toen ze vertelde over haar bezoek aan het prachtige Teshima Art Museum en keken verschrikt toen ik haar vertelde dat de meeste mensen toch maar één dag hier besteden en dan verder reizen. Al gauw waren we het er over eens: juist op dit soort plaatsen moet je een langere tijd doorbrengen om al het moois echt te kunnen 'zien'. Opeens schoot haar iets te binnen: "Ik kan ook zo genieten van het eten hier! In Honmura is er een klein cafeetje, Café Ippo. En daar maken ze heel veel kleine gerechtjes met heel veel aandacht. En dat proef je!"
En toen, zittend aan het antieken tafeltje op de troon-achtige stoel kreeg ik hetgeen geserveerd waar ik zo nieuwsgierig naar was. Een mooi dienblad kwam op tafel. Een bergje rijst in een kommetje van donker aardenwerk, wat misosoep en op een bordje een paar eenvoudige bijgerechtjes zoals gestoofde spinazie, een salade, een klein beetje hikiji en in het midden een goudbruin kroketje. De buitenkant was knapperig en de binnenkant verrassend pittig. Geruisloos zat ik te smullen. De geluiden van de tv veranderden in gezoem op de achtergrond. Af en toe voelde ik ogen op mijn gericht en opeens stond ze naast mij. Schrik! "Daijoubu desu ka?" Is alles wel oké? Vroeg zij ietwat onzeker. Misschien was ik wel heel erg stil geworden van het lekkere eten. "Het is heerlijk!" antwoordde ik. Een zonnestraal ging over haar gezicht. "Kookt u wel vaker vegetarisch?" En zo begon ons gesprek. Over eten en werken, manieren om gevriesdroogde tofu te frituren, over de mooiste plek op Naoshima om de zonsopgang te zien, over tempels in Kyoto en tenslotte kletsten we over de maintenance periode. Hoe zouden we deze vrije dagen eens benutten? Ik vertelde dat ik terug naar Nederland zou gaan om met mijn familie tijd door te brengen. Er verscheen een ietwat trieste uitdrukking op haar gezicht. "Tijd... dat is het allerbelangrijkste. Tijd gaat alleen maar vooruit. Achteruit gaat het nooit meer."
Net toen ik mijn hart zwaar voelde worden, verscheen er licht door de opening van de deur die niet open ging. En zag een bekend gezicht. Balancerend op één been deed ze haar laarzen uit voor de deur. "Hé, Lisanne! Dat is een tijd geleden! Hoe is het?" Aan het ronde tafeltje werd ik opeens vergezeld door een vriendin. "Ik ben vandaag eigenlijk aan het werk," vertelde ze. "Maar ten minste één keer in de week tijdens mijn middagpauze eet ik bij Ippo. Het is dan net alsof ik bij mijn moeder langs ga om te eten." Op dit punt hadden wij iets gemeen. Allebei ver van huis. Ik uit Nederland en zij uit Hokkaido, ook niet bepaald een plek waar je vanuit Naoshima even naartoe gaat. Er zijn momenten dat je een goed gesprek nodig hebt. En goed en gezond eten. Vooral op drukke en vermoeiende dagen zorgen de groenten van Ippo-san voor nieuwe energie. Over vermoeidheid gesproken... ook konden we elkaar een hand geven als het ging om drukte met werk de afgelopen periode. Het kunstfestival was enorm hectisch geweest en vreemd genoeg wisten de toeristen ook de periode erna van geen ophouden. Ging een laagseizoen er ooit nog eens aankomen? We hadden eens moeten weten...
Er zijn dingen die je niet kunt inplannen. En er zijn dingen die we nog net wel hadden kunnen inplannen. Net voordat alles zou veranderen. Het was een beetje een rare en tegelijkertijd een hele fijne dag. Een beetje zoals een droom. Met de kleine boot kwamen we aan in de haven van Uno, waar de buschauffeur stond te wachten in zijn auto. Hij keek op van zijn iPad waarop hij ongetwijfeld weer de best beoordeelde 'zaakjes' van Kagawa zat op te zoeken. In de auto bedankten we hem al gelijk, dat wij dit weer met hem samen mochten meemaken. Voor mij was het de tweede keer dat ik meedeed aan 'de tour', voor haar was het de zoveelste keer (ze was de tel inmiddels kwijtgeraakt). Al gauw gingen we de weg op en raakten we op een plezierige manier aan de praat over de dikke noedels die we vandaag zouden verorberen. Waar hadden we de vorige keren ook alweer udon met elkaar gegeten? Wat voor seizoen was het toen? En welke weersomstandigheden? Vandaag hadden we in ieder geval heel erg geboft: het was prachtig weer. Vanuit de auto zagen we het slaperige stadje Tamano tot leven komen onder de blauwe lucht. Tunnels brachten ons door de grof gevormde bergen en rotsen die dit plaatsje rijk is. En toen zagen wij de zee, zo blauw. Over een kronkelende weg reden wij parallel langs het water. In de verte zagen wij al de Grote Brug van Seto opdoemen...
Het blijft zo ontzettend gaaf, zo vreselijk cool. Dat gevoel! Om over een hele zee heen te rijden. Om vanaf zo'n hoog punt alles te overzien: alle boten en eilanden zijn opeens heel klein geworden en liggen aan onze voeten. De lichte nevel in de verte en de zon die er doorheen schijnt zorgt voor een adembenemend schouwspel van licht en donker. Het is onbeschrijfelijk mooi. En gelukkig raken wij, ook als bewoners van Setouchi, nooit aan deze schoonheid gewend. Als de brug aan een einde komt, voelt het alsof we teruggekeerd zijn in de normale wereld. Het plaatsje Sakaide in Kagawa prefectuur is een industriële havenstad en we worden omringd door de rook van de raffinaderijen. We rijden verder door, het binnenland in. De chauffeur legt uit dat wij deze keer naar het westen van de udon-prefectuur zullen rijden in de richting van Mitoyoshi en Kanonji. Ik herinner mij deze plaatsjes gelijk van mijn belevenissen tijdens de Setouchi Triennale. Via de havens van deze twee kleine plaatsjes reisde ik af in de richting de eilanden Awashima en Ibukijima. Toen ik vertelde over de sardientjes op Ibukijima begon de chauffeur te grinniken. "Vandaag zal ik Lisanne iets laten eten waar ze versteld van zal staan!" zei hij samenzweerderige manier. Het zou een dag vol verrassingen worden.
Tussen de rijstvelden en de ronde bergen kwamen wij uit op een woonerf. De auto werd geparkeerd naast een houten schuur, wat tot mijn verbazing onze eerste bestemming zou zijn.  Yamashita udon bleek een typisch ‘self service’ udonrestaurant te zijn, maar dan weer iets anders dan je in steden zoals Takamatsu ziet. Vanuit je zitplaats die bestaat uit eenvoudige houten stoeltjes en in plastic gewikkelde tafeltjes kijk je uit op een ietwat rommelige ‘open keuken’ waar twee omaatjes met handdoekjes om geknoopt hun uiterste best staan te doen boven het frituurvet waar ze de meest knapperige tempura uit tevoorschijn toveren. Van de chauffeur moesten wij natuurlijk de specialiteit van deze udonschuur proeven. Daarom pakte hij al de metalen tang voor ons en voordat wij ook maar een hand konden uitsteken verscheen er een bolletje tempura met verse garnaaltjes erin naast mijn kom. Vervolgens bij de kassa slechts 300 yen afrekenen voor deze heerlijke maaltijd en dan maar smullen.

De garnaaltjes in een laagje beslag bleken behoorlijk zout en knapperig te zijn. Oude mannetjes die van hun tv programma opkeken naar ons, hoe een ongebruikelijk stel zoals wij zeer uitgelaten zaten te smullen van dikke noedels. De gesprekken kwamen op gang en wij kwamen gaandeweg steeds meer te weten over de man die ons wegwijs maakte door deze udon prefectuur van Japan. Voordat we opstonden om te vertrekken naar ‘de volgende’ liet hij ons een foto van een hondje met een eigenwijze uitdrukking zien. Nu mijn zoons het huis uit zijn zou ik wel weer wat gezelschap willen hebben. Hij vertelde over zijn briljante plan om een shiba inu hondje in huis te nemen en wij stemden toe dat wij dat een heel goed idee vonden.
Met een vrolijke uitdrukking leidde hij ons rond door de plaatsjes tussen de ronde bergen. Over provinciale weggetjes passeerden we mooie straatbeelden met houten huisjes die uiteindelijk  opnieuw plaats maakten  voor de kust. De chauffeur wees ons een strand aan dat zeer populair is als badplaats en naar een klein gebouwtje ernaast waar je het lekkerste schaafijs kunt kopen. In de zomer komen we terug! Zeiden wij enthousiast. Toen verbaasden we ons weer over vreemde planten langs de weg, een soort aloë vera met oranje bloemen die mij aan de planten in Okinawa deden denken. En het bleef een dag van ontdekkingen. Zo kwamen we bij iemand thuis in een chaotische huiskamer, waar de groenten open en bloot op zowel de counter als op de grond lagen en waar je zelf bouillon op je noedels moest scheppen waar de iriko sardientjes gewoon nog inzaten. (Dat bedoelde hij dus!) De oudere kokkin met het bloemetjesschortje maakte zich zorgen. “Eet zij dat wel?” vroeg zij, met de ogen van mij afgewend. “Maar natuurlijk, ze is er gek op! En ze is Japanser dan wij!” viel de buschauffeur voor mij in. Toen zij doorhad dat ik ook Japans sprak liet ze mij een van haar schatten zien. Een mooie tekening van haar en het ‘restaurant’ in gewassen inkt. Hij zou zijn gemaakt door ene Tim uit Amsterdam die (indrukwekkend genoeg!) de 88 tempels van Shikoku te voet zou zijn afgegaan. Iets om trots op te zijn.
Na al dit spartaanse noedelavontuur volgde een onverwachts mooi udonrestaurant, waarvan de voorgevel eerder deed denken aan een schattig café waar je taartjes kunt kopen. Het bleek een trendy restaurantje te zijn waar innovatieve (vreemde?) udongerechten werden bereid door jonge mensen die daarnaast ook nog samenwerken met de lokale boeren. Zo verkochten zij naast udon ook blueberry jam van vergeoogste bessen. Ook kreeg ik bij mijn kommetje udon gratis stukjes gestoofde daikon van ‘mensen uit de buurt’. “Pas op, er kunnen harde stukjes in zitten!” waarschuwden zij. De diepe sojasaussmaak in deze sappige groente was een mooie herinnering voor mijn smaakpapillen. De zeer stevige bite van de udon zorgden voor goed kauwen en dus voor goede gesprekken. Ik vertelde dat het gerecht dat zij had genomen mij erg deed denken aan mijn studie in Yamagata. De geur van de soep waar konnyaku gelei, dorpsaardappeltjes en rundvlees in dreven deed mij sterk denken aan die dag bij de rivier toen ik met mijn vrienden samen ‘imoni’ maakte, een stoofpot die in de herfst buiten de deur wordt gegeten. Mijn vriendin lachtte. “Dat is toch met zo’n enorme pan waar met een hijskraan in wordt geroerd?” Jawel, dat ik bij die eigengereide mensen uit Yamagata mocht kennismaken met dit prachtige land is nog steeds een onvervangbare herinnering…  Inmiddels zijn er sindsdien alweer 8 jaren verstreken.  De tijd gaat voorbij, en ja, de tijd is het allerdierbaarste.
Eenmaal weer in de auto raakte de buschauffeur in een melancholische bui. “Het leven gaat om lijden en genieten… maar mensen hebben helaas de neiging om zich alleen maar op het lijden te richten in de hoop dat dit ooit tot geluk zal leiden” zei hij. Later, toen we rond het middaguur eenmaal waren uitgestapt bij de volgende bestemming, en wij met onze stokjes het eigeel roerden door de zachte noedels van onze volgende kom,  ging hij verder. “Het is alweer 3 jaar geleden sinds zij er niet meer is. Ze mankeerde niks, was nooit ziek en opeens zakte zij in elkaar. Wij hebben haar nooit gedag kunnen zeggen.” Geschokt keken wij hem aan en luisterden naar deze onthulling. “Het kan zo voorbij zijn. Daarom moeten wij niet alleen lijden. Wij moeten mooie dingen zien, lekkere dingen eten, van het leven genieten.” Wij knikten, konden het er alleen maar mee eens zijn. En opeens begrepen wij de persoon beter die achter het stuur zat, die door anderen vreemd werd gevonden, soms zelfs met de nek werd aangekeken. En de persoon die ons nu de mooiste plekken van Kagawa wilde laten zien. Samen beklommen we de mythische Shiudeyama. Eerst een stukje met de auto de berg op, en het laatste stukje te voet. Een adembenemend uitzicht bracht ons tot zwijgen. In een lichte nevel die werd gebroken door het zonlicht, lagen de eilanden van mijn verhalen: Ibukijima, Takamijima, Shamijima, en daarginds, heel ver weg Naoshima.
… Waar ben ik? Is dit nog wel Naoshima? De gele pompoen staat onaangeroerd op de pier in het zonnetje. Niemand die hem meer lastigvalt. Ik kijk om me heen. Het gras is prachtig groen geworden. Onder de pijnbomen loop ik door de schaduw richting het bankje met uitzicht op zee. Een vast rustpunt van mijn dagelijkse wandeling sinds alles anders zou worden. Even doe ik mijn hoedje af en schuif ik het lapje indigogekleurde stof richting mijn kin. Heerlijk om even de lucht in te ademen. Het ruikt zout. Na een slokje water vervolg ik mijn wandeling. In de verte zie ik iemand aankomen. Bekende ogen. En even duurt het voordat ze de mijne herkent. “O, jij bent het Lisanne! Een wandeling?” Het lapje stof met bootjes erop beweegt terwijl ze praat. “Ja, vandaag houd ik het alleen op een wandeling. Kom jij net terug van de lounge?” “Ja, ook vandaag heb ik weer gewerkt aan mijn droogbloemen. Trouwens…” begon ze samenzweerderig. “Ik wil iets bedenken waarin wij ze kunnen gebruiken, als cadeautje voor de gasten. Als jij misschien een leuk idee hebt wat wij hier nog niet hebben gedaan, al is het maar bijvoorbeeld iets van je basisschooltijd in Nederland, kun je het me dan laten weten?” Haar enthousiasme maakt me vrolijk. Ik moest er even over nadenken, maar zei dat ik haar snel weer op Line zou berichten. “Jaa ne!” zwaaide ze. Doei. En weg was ze.
Berichtjes schrijven aan vrienden. Foto’s en tekeningen uitwisselen. Kletsen met familie. Het voelt alsof iedereen even naast mijn bureau staat. Ik kijk op van de computer. Door de vitragegordijnen maken de zonnestralen mooie golfjes maken op de houten vloer. Voor het raam dansen steeds twee zwaluwen door de lucht. Soms kijk ik even naar ze, als de kleine blauwe vogeltjes op de elektriciteitsdraden rusten. En dan dwalen mijn gedachten af. Hoe lang zal het zo blijven? Zullen we ooit weer aan het werk kunnen? En hoe lang zal Naoshima nog gespaard blijven? Onzekerheid kan je onrustig maken. Het idee dat eigenlijk niks zeker is kan je dan vreemd genoeg weer rustig maken. Elke dag is er één en elke dag is belangrijk. En ook morgen zullen we weer wandelen en iets nieuws ontdekken.

vrijdag 14 februari 2020

Het huis, de kat, de horizon

Het einde van de Triennale was nabij. En juist daarom was het tijd voor nog één laatste reisje. Een beetje weemoedig keek ik uit het raam, de warme zonnestralen over mij heen. Deze keer naar het eiland dat het verste van Naoshima vandaan lag. “Zal ik dat nog wel doen?” vroeg ik mij af. Maar de Setouchi Triennale maak je als echte ‘eilander’ maar een keer mee… dus ja! En nu vertrok ik opnieuw met de sneltrein vanaf Takamatsu, deze keer richting de plaats Kannon-ji, aan de andere kant van Kagawa-prefectuur. Lieflijke landschappen van akkertjes en ronde groene bergen maakten langzaam plaats voor het beton en staal van de havenplaatsen. En daarachter begon weer het grote blauw met de eilanden. De zee is nooit ver weg hier, en om de een of andere reden voelt dat als een geruststelling.
Er is altijd iets dat ons en alles met elkaar verbindt. Zijn het dezelfde doelen en dezelfde verlangens die wij als mensen delen? Toen de kleine witte boot ‘New Ibuki’ de haven naderde, ervoer ik eenzelfde golf van opwinding om mij heen. Opeens had niemand meer aandacht voor de duizend gidsjes, voor de televisie in het midden van de boot. Mensen gingen opstaan van hun banken, rondlopen, naar buiten het dek op. Fototoestellen in de aanslag. Foto’s van rode vuurtorens, zeeweringen met rijen stuurse meeuwen die onze kant op staren. Maar hun snavels wezen allemaal een andere kant op: richting het hartvormige eilandje Ibukijima waar wij bijna aan land gingen. Mijn hart ging sneller kloppen bij het dalen van de brug. Zoals altijd stond ik vooraan bij de ingang van de boot, maar ik voelde meer mensen met eenzelfde enthousiasme naar voren dringen. En toen was het tijd om aan land te gaan. Een felblauwe poort en wapperende vlaggen verwelkomden ons op dit eiland, zij leken op te gaan in het blauw van de hemel.
En al gauw kwam ik, snelwandelend met de route van mijn reisgidsje in het achterhoofd, achter bijzondere kenmerken van dit hartjeseiland dat in geen enkel boekje beschreven stond. Dat je hier bijvoorbeeld, evenals met de liefde en grotere doelen in het leven, je erg je best moet doen om je verlangens te verwezelijken. En je zult nooit de enige zijn in deze strijd, wat minder eenzaam voelt maar anderzijds ook voor ongeruste gevoelens kan zorgen. Nog nooit in mijn leven had ik tegen zo’n steile helling aan geklauterd. En toch was het pad dat ik bewandelde netjes verhard. Er lagen schilderachtige, traditionele huizen aan met mooie grijze dakpannen. Op een gegeven moment voelde ik dat de steile heuvel steeds vlakker werd en langzamerhand een hoogtepunt bereikte. Ik keek over mijn schouder. En raakte ontroerd door de schoonheid die ik daar zag. Of misschien was er niet eens zoveel schoonheid. Het was meer op het moment zelf dat ik het zo voelde, toen ik daar een prachtig uitzicht zag. Zo hoog. Ik zag de haven, de boot waar wij vanaf waren gestapt, zo klein. Het blauw van de lucht leek zo groot en dichtbij. En ik voelde dat vandaag nog zoveel te bieden had.
Het pad liep verder. Er was een open plek waar twee kleine huisjes stonden. Het waren geen echte huisjes, maar kunstwerkjes gevlochten met riet met een rood dak. Er klonk flauw gezang uit de huisjes in een taal die ik niet kende.  Het gezang was zacht, had iets lieflijks, het leek te passen bij de sfeer van het vredige eilandje. Een aantal stappen verder werd het gezang echter overstelpt door een zwaar, ronkend geluid dat steeds dichter bij kwam. Ik, die rustige eilandjes gewend was zonder motorverkeer en daardoor op het midden van de weg liep, schrok op en verplaatste me naar de zijkant. Een oudere man op een luidruchtige brommer ging mij voorbij. En toen een oudere dame, ook op een brommer met helm op. En nog één. Vroem, met hoge snelheid crosten zij tegen de steile hellingen op. Even leek het of ik niet meer op een eiland in Japan was maar ergens in Zuidoost-Azië. Zou Ibukijima dan misschien een cult hebben van motormuizen? En zou het niet toevallig zijn dat vooral Zuidoost-Aziatische kunstenaars actief zijn op dit eiland?
Vele vragen kwamen in mij op tijdens mijn wandeling over dat stenen pad. En daar liep dan opeens een poes voor mij uit, met een oranje vacht. Even dreigde ik, evenals mijn mede-eilandbezoekers afgeleid te raken door het zachte poezenbeest. De jongen die mij de weg wees richting de haven nadat ik was gestrand op het ietwat eenzame station Kannon-ji zag ik het beestje een aai over de kop geven. Een knikje met het hoofd en een glimlach als teken van gedag zeggen. En toen nam hij de benen. Gelijk begreep ik waarom… hij had hetzelfde doel als ik. Sterker nog, al die mensen die na aankomst van de boot afsnelden, dezelfde richting uit, hadden hetzelfde doel als ik! Snelwandelend ging ik verder de heuvel op. Op een straathoek hadden bewoners hun huizen opengesteld en hadden zij allerlei accesoires gemaakt van oude kimonostofjes tentoongesteld. Daar tegenover een klein supermarktje, waar grote zakken iriko (gevriesdroogde sardientjes) vooraan in de rekken stonden uitgestald. Een mevrouw die er werkte wees mij de weg: als je hier rechtdoor gaat en bij de tempel naar rechts, zul je het snel zien!
Al gauw kwam een zoete geur van wierrook en cederhout mij tegemoet en torende er een muur boven mij uit van een hoog gelegen tempelgebouw. Opnieuw hoorde ik het vage gezang, deze keer kwam het uit de richting van een ander gevlochten rood huisje op paaltjes, dat tegen een stenen muur stond. Hoewel ik begreep dat het een kunstwerk van de Triennale was, leek het alsof het gewoon een soort bijgebouwtje was dat de tempel altijd al vergezeld had. De geur van wierrook ging op een ploteselinge manier over in de zoete geur van verhitte sojasaus. Hier was het dan: de plek waar de ‘moeders’ van Ibukijima de beroemde o-bento zouden verkopen met allemaal lokale gerechtjes. Vooral de woorden ‘beperkte beschikbaarheid’ in het gidsje moet iedereen in het oog zijn gevallen, bleek toen er al een hele rij stond.  Rustig ging ik achteraan staan en gluurde door het raampje de keuken in, waar ik oudere dames druk heen en weer zag lopen.
Het bleek dat Ibukijima in Japan bekend staat als het eiland waar de hoogste kwaliteit iriko vandaan komen. Vroeger was het een onmisbaar levensmiddel voor de eilandbewoners om hen in hun dagelijke portie van mineralen en eiwitten te kunnen voorzien. De visjes worden volgens een specifiek proces eerst gekookt en dan direct gevriesdroogd, waardoor zowel de rijke smaak als de voedingsstoffen behouden blijven. Bovendien zijn de mogelijkheden om ze te bereiden eindeloos. Zo bleek toen ik, zittend op een gezellig terrasje omgeven door groen, het doosje opende en mij verbaasde over de vele verschillende gerechtjes waarin deze visjes werden gebruikt. Als topping in een saladetje, als heerlijke tempura in combinatie met allerlei groenten zoals aubergine en pompoen. Maar ook als ‘takikomi gohan’, rijst gekookt in een mix van bouillon, sojasaus en iriko, wat het een rijke smaak gaf. De visjes waren zout en knapperig van buiten en tot mijn verbazing vrij zacht vanbinnnen. Ik kon me opeens de verontwaardiging van de mensen op Ibukijima voorstellen dat deze iriko tegenwoordig in Japan voornamelijk worden gebruikt om bouillon van te trekken (hoe zonde!).

Zo zat ik daar te smullen, tegelijkertijd te genieten van de omgeving en de mensen die er waren. Zo zaten er tegenover mij aan het houten tafeltje twee meisjes, net iets jonger dan ik. Onze ogen ontmoetten elkaar en we raakten we raakten aan de praat, over de reis, over wat we het lekkerste vonden van deze bijzondere bento. Bijna zouden we niet doorhebben dat er ook een aantal andere ogen waren die ons onophoudelijk aanstaarden… Mijn tafelgenootjes schoten in de lach toen we doorhadden dat we omringd werden door een groepje hongerige poezen. Natuurlijk werden ze in een keer door iedereen aangehaald en kregen ze bergen aandacht, maar hun verlangende blik verdween niet. De grote starende ogen gingen pas toe toen zij een visje werd toegeworpen. Doe het nou niet, dacht ik… maar een van de meisjes kon het toch niet laten. Geluk moet je immers delen. Kijkend om mij heen zag ik allerlei gezichten die ik van de boot kende. Sommigen waren al klaar met eten en stonden op voor een volgend avontuur. Het was tijd om het eiland verder te verkennen.
Wandelingen door talloze heuvelachtige steegjes. Het dorpje op het eiland was groter dan ik had verwacht. En wat moet het vroeger levendig zijn geweest. Bij vele gebouwen zag ik uithangborden van winkels, restaurants en kapperszaken. Maar als ik door de bestofte ramen naar binnen keek, zag ik enkel lege ruimtes, soms met een paar vergeelde foto’s en posters aan de muur. Er waren echter ook dingen op het eiland die niet met het verstrijken van de tijd verloren zijn gegaan. Het wandelpad kwam uit op een open plek waar vandaan we prachtig uitzicht hadden op de huisjes, de zee, de golfbrekers en bootjes in de verte. Er was een klein paviljoen gemaakt van een lichte kleur hout, met schuifdeuren waar doorheen het zonlicht viel en de afscheiding van de horizon, tegengesteld aan de verticale lijnen van het paviljoen, op een prachtige manier tot zijn recht kwam. Het zijn de kunstwerken die mensen hier vandaag maken die laten zien wat er hier nog wel is, bedacht ik me. Opnieuw kwam er, dribbelend over de gladde vloer, een poesje op me af met felgroene ogen en een vacht die in de dezelfde kleur leek te zijn geverfd als de houten planken om hen heen. Opnieuw leek hij enkel interesse te hebben in het voedsel in de rugzak van een reisgenote. Ook ik begon honger te krijgen naar meer mooie indrukken.
Er waren hoog gelegen looppaden met huizen aan zee. Er was een oud huis waar een kunstenaar de muren had ingepakt met zeer verfijnde, maar bonte borduurwerken. Op andere muren graffiti met motieven van de binnenlandse zee van Seto en hier en daar wat eccentrieke, abstracte sculpturen in knalkleuren. Ik had verwacht dat de groep bejaarde dames die op dat moment binnenkwam misschien een aversie zou hebben tegenover het wat extreme werk in het traditionele Japanse huis, maar het tegendeel bleek het geval. Met een brede glimlach wendden ze zich tot mij.  “Waar kom jij vandaan? Mooi is het hè? Wat is kunst toch geweldig!” En wat een geweldige werken waren er inderdaad, niet alleen binnenin de houten huizen, maar ook bovenop funderen van huizen die er al lang niet meer stonden. Een lange stenen trap leidde mij naar een plek vlakbij zee. Daar stuitte ik op een enorm, trechtervormig bouwwerk gemaakt van dunne, houten latjes die in een vaste structuur haaks op elkaar waren bevestigd. Maar mijn grootste moment van verbazing kwam pas toen ik recht voor het werk stond. De binnenkant van het buisvormige bouwwerk bestond uit duizenden fragmentjes van hele kleine spiegeltjes die aan elkaar waren geplakt en samen een soort enorme kaleidoscoop vormden. In het midden van de werk zag ik een groot blauw vlak, het perfecte blauwe van de zonnige lucht van die dag. De hemel leek verlengd te worden en zelfs naar ons toe te komen door deze wonderlijke tunnel van spiegeltjes.
Een vrijwilliger legde uit dat op deze open plek vroeger de ‘Debeya’, oftewel de ‘buitenkamer’ van het eiland stond. 400 jaar geleden stond hier een huisje waar zwangere vrouwen met elkaar samenleefden in de maand voor en na de bevalling. Vroeger werd gedacht dat de geboorte een moment van onreinheid was en daardoor buitenshuis moest plaatsvinden. De kunstenaar Takashi Kuribayashi nam dit stukje geschiedenis in acht bij het creëeren van de zogenaamde ‘Boom van Ibuki’, een boom die symbool zou kunnen staan voor deze plek van leven op het eiland en ook een soort begrenzing zou kunnen vormen tussen ‘geboorte’, ‘leven’ en misschien wel ‘wedergeboorte’. Volgens de kunstenaar is de boom verbonden met de vele levens van de mensen op Ibukijima.

Maar wie zijn dan nu de mensen van Ibukijima? Bedacht ik me, terwijl ik mijn weg vervolgde op een stenen pad bovenop een heuvel. Ik keek uit over een prachtig veldje cosmeabloemen met daarachter de zee. Mijn dagdromen werd verstoord door zwaar geronk. Ik keek achter me en zag daar een oudere man op een brommer rijden. Hij werd gadegeslagen door een groepje Chinese meisjes die hem nawezen. Hij was niet iemand die je snel zou vergeten: lang grijs haar, een baard, een zonnebril, kleurige kleding en een bandana. Hij haalde mij in en verdween in de verte. Om de hoek vond ik een wit schoolgebouwtje. In de klaslokalen keek ik mijn ogen uit, want oude posters, foto’s en kaarten hingen nog gewoon aan de muur en tussen de tafels en lesmaterialen vond ik opnieuw mooie rode, gevlochten voorwerpen, deze keer in de vorm van schoenen en dozen. Ze deden sterk denken aan de huisjes die ik op andere delen van het eiland had opgemerkt, op de berg en bij de tempel. Er werd een video vertoond waarin de bewoners van Ibukijima zelf rode gevlochten pakken aantrokken en samen een dans uitoefenden voor de tempel. Ook maakten we hierbij kennis met het Nederlands-Indische kunstenaarskoppel Mella Jaarsma en Nindityo Adipurnomo die verantwoordelijk waren voor al deze kleurige werkjes rondom het eiland. Ook zij waren geïnspireerd geraakt door een oude foto die ze vonden op Ibukijima: de vorm van hun ‘huisjes’ zou gebaseerd zijn geweest op de vorm van kleine talismannen in de vorm van huisjes die vissers met zich meedroegen wanneer zij de zee opgingen. Misschien zodat zij weer veilig naar hun eigen ‘thuis’ zouden terugkeren?
Hoewel ik geen schipper ben, houd ik me ook graag bezig met wat mensen beschouwen als ‘huis’ en ‘thuis’. Wat betekent ‘thuis’ voor ons? En kunnen we niet vele plekken in onze levens hebben die we als ‘thuis’ voelen? Ik begin steeds meer te geloven dat zoveel plekken waar we geborgenheid en verbondenheid kunnen ervaren, kunnen beschouwen als iets waar we zelf ook deel van uitmaken, als een soort ‘gemeenschappelijk thuis’ waar we dezelfde dingen kunnen ervaren. Ik denk terug aan het moment waar ik samen met een paar andere dames de lichte binnentuin van de school betrad, waar we samen ons verwonderden over een prachtig blauwe ‘Parantica sita‘, een reizende vlinder die zich tijdens dit seizoen soms op Ibukijima laat zien. Het moment dat ik terug richting de haven liep, waar nog een ander oud gebouw wat tegenwoordig dienst doet als informatiecentrum, mij in het oog viel waar ik vervolgens met een paar andere eilandhoppers dubbel heb gelegen om een videospel waarbij je op een levensechte brommer moet gaan zitten om een ‘sardientje’ te besturen dat door de straatjes racet van een science fiction-achtig Ibukijima. Nog in de ban van dit parallele universum, kwam ik vervolgens weer tot de realiteit bij het zien van een mooie driedimentionale landkaart van het eiland in een ander lokaal. Het was een lichte ruimte. Op het hartvormige model stonden met vlaggetjes aangegeven wat er vroeger allemaal op Ibukijima te vinden was. Opeens schrok ik op van de aanwezigheid van de kleurige meneer van de brommer. Hij begon tegen me te praten alsof het niet onze eerste ontmoeting was. “In mijn jeugd was er nog van alles op het eiland! Hier waren winkels, hier was de kapper… maar uiteindelijk zijn er zoveel mensen weggetrokken. In de jaren 50 woonden wel bijna  5000 mensen! En tegenwoordig nog maar 500.” “Komt u ook van Ibukijima?” vroeg ik. “Jazeker, ik ben op dit eiland geboren! En ik ben er trots op!” riep hij uit.
Nadat hij mij uitgebreid had verteld over de start van de Setouchi Triennale op het eiland en de band die er ontstond tussen het eiland en verschillende kunstenaars uit Indonesië, raakte mijn aandacht verstoord door de gedachte dat de tijd gewoon doorging. Ik keek tussendoor subtiel even op m’n horloge en voelde mijn hart sneller kloppen. Wacht… de laatste boot van de middag vertrekt al over een kwartier! Ik bedankte hem met een knikje en excuseerde mij. Zonder m’n veters te strikken duwde ik mijn sneakers aan die bij de deur stonden en snelde ik mij het gebouw uit, de heuvel af. (En moest oppassen dat ik die ene geweldig hoge heuvel niet af zou rollen!)
Een melancholische sfeer omringde ons toen we met z’n allen op het dek stonden van de Ibukijima ferry. Breeduit zwaaiend naar de locals en vrijwilligers die op de knalblauwe pier ons stonden uit te zwaaien met grote vlaggen. Afscheid nemen vanaf een boot is toch niet te vergeleken met enige andere vorm van afscheid… de manier waarop we langzaam de haven uitvaren en alle plekken, gebouwen en alle mensen steeds kleiner worden, steeds verder weg raken. Of niet? Als een explosie weerklonk er een harde stem over de golven. En opeens was hij er weer! Over een betonnen, lange zeewering parallel aan ons schip rende hij, luid roepend en zwaaiend met vlaggen in alle kleuren van de regenboog zei hij ons gedag. Als een soort dans, een performance. Hij is ook een kunstenaar. Een kunstenaar van Ibukijima. En met dit laatste schouwspel voor ogen blijft het een heel bijzonder eiland in onze herinneringen. Al gauw werden we omgeven door niets anders dan blauw. Ik raakte weer aan de praat met de twee meisjes met wie ik samen had geluncht en de katten had gevoerd. “Wat vonden jullie het allerleukst op het eiland?” vroeg ik. Ietwat verlegen giechelden ze. En riepen toen in koor: “De o-bento!”
Blaadjes in de bergen worden bruin en vallen. De bergen van Naoshima worden grijs. De lucht koelt af. En op een gegeven moment betreedt die geur weer mijn neusgaten. Een vorstachtige lucht gemengd met een aroma van verbrand hout erdoorheen. Hoewel het een geur is die me blij maakt, die me om de een of andere reden doet denken aan de prachtige witte sneeuwlandschappen van Yamagata, maakt het intreden van de winter mij niet alleen gelukkig. Wachtend op de bus, voel ik de snerpende kou langs mijn hals waaien en kan alleen maar hopen dat keelpijn en verkoudheid uitblijft. Mijn collega, die evenals ikzelf niet al te stevig gebouwd is, hoor ik hetzelfde denken. “Het zware seizoen voor ons is weer gekomen, Lisanne” zegt zij ietwat onheilspellend.
Maar als wij de koude, sneeuwloze winter op Naoshima vanuit een positief oogpunt zouden kunnen bekijken, is het wel een seizoen van rust. En met name dit jaar van een extreme rust, een soort dal na de weerzinwekkende drukte van de Setouchi Triennale, waarbij (extreem gezegd) een soort golven van mensenmassa’s steeds het museum binnenstroomden. En nu staan we daar weer, te kijken hoe de automatische deur dichtblijft, hoe de gangen verlaten zijn. Alleen wij en onze computers. Alleen het beeld van ‘Diego’ van Alberto Giacometti, tijdens de Trienale omringd, bestaard en belaagd (!) door zowel kinderen als volwassen. Ook op zijn gezicht meen ik nu een serene uitdrukking te zien. De Setouchi Triennale was een periode vol avontuur, vol nieuwe ontdekkingen, reizen en ervaringen waar ik op dit blog nog lang niet alles over heb kunnen schrijven. De tijd was beperkt, mijn hoofd is vol. Elke dag was druk. Werkdagen waren druk. Op vrije dagen wilde ik alles zien en beleven. En zo graag zou ik nu, nadat het voorbij is, alles willen verwerken, zou ik over de Triennale en de waarden ervan willen schrijven… maar ik kan het nog niet. Nog lang niet alles is bezonken. "Daarbij ben ik moe. Ontzettend moe!" dacht ik. En toen verscheen er een mailtje in mijn mailbox.

Een uitnodiging. Van een collega die binnenkort een feestje wilde organiseren, het zogenaamde ‘Bedankt voor jullie harde werk tijdens de Triennale’-partijtje. De datum stond al vast, evenals de plaats. Net toen ik het rooster wilde pakken om mijn dienst van die dag te checken, vielen mijn ogen op de woorden “En aanwezigheid nemen we deze keer niet op! We verwachten namelijk dat jullie er allemaal zijn!” Dat was ook duidelijk. En zo ging ik na mijn dienst uit mijn werk door naar Tsutsuji-so, de gemoedelijke kampeerplaats aan zee. Hier ligt een gebouw met een grote wa-shitsu, een Japanse kamer met tatamimatten wat ideaal is voor een staand of zittend feestje met grote groepen. Toen ik de schuifdeur opende zag ik tot mijn verbazing dan ook een volle, levendige ruimte. Al mijn collega’s hadden zich rondom een lange tafel verzameld waarop heerlijke lekkernijen te vinden waren. Alle ogen waren opeens gericht op mij. “Lisanne is er!” Er werd geklapt bij binnenkomst kreeg ik een bijzonder geschenk. Een gouden medaille die ik om kreeg omdat ook ik bij de Setouchi Triennale had gewonnen. “Gefeliciteerd! Omdat je zoveel verschillende talen hebt gesproken tijdens het festival!” Ik was vereerd, moest m’n best doen om niet te blozen bij deze speech voor de ogen van anderen. Gelukkig zag ik, toen ik om mij heen keek, dat iedereen gewonnen had. Vele stralende gezichten en glimmende gouden chocolademedailles, sommige half opgepeuzeld. Toen ik ging zitten werd de luxe sashimi van bonito en zalm naar mij toegeschoven. Ook kreeg ik, tot mijn vreugde, een kommetje gloeiend hete stoofpot met veel tofu en groenten. Speciaal voor mij vegetarisch gemaakt. Hoewel de avond zijn nodig gekke momenten kende (schoenen die verstopt werden zodra je poogde te vertrekken…), kon ik tijdens dit hele evenement een glimlach niet onderdrukken. Met zo’n opkikker kunnen we er deze winter weer tegenaan.
Het is bijna lente!

vrijdag 6 december 2019

Verhalen over de zomer die voorbij is

Het is weer deze tijd van het jaar. Mijn favoriete tijd! Vaag ruik ik de rook van de vuurtjes die gestookt worden op de velden, gemengd met de zoete geur van kaki's die net aan de bomen hangen. Nog even en we kunnen weer genieten van lekker fruit, vis en zoete aardappels... Nog even en de zeewind zal zo koud voelen als ijs. Maar nu nog even niet. Omringd door wind als een warme deken fiets ik naar huis. Uit de bergen achter mijn huis komt een luidruchtig zangspel van verschillende insecten. Niet meer het miiin miiin en jiii jiii van de knorrige cicades, maar van andere vrienden waar ik duidelijk de namen nog niet goed van weet. Riiiin riiin riiin. "Mooi hè, dat gering van die suzumushi (bel-krekels)!" roep ik uit. Een frons komt op het gezicht van een mevrouw uit de buurt. "Dat zijn volgens mij geen bel-krekels, maar koroogi (rasp-krekels)". Ik moet nog veel leren. Maar ik geniet van de natuur, op een afstand. In mijn huisje moeten al die vrienden niet langskomen! Bedenk ik me, terwijl ik de trap op ga van ons huis. Het stompe geluid van mijn voetstappen op de treden, de geur van het hout van het gebouw. Ik houd van deze geur, die bovendrijft in de warme lucht. Het uitzicht vanaf de binnenplaats op de bergen die niet meer zo groen zijn, de zee die niet meer zo blauw is. Een gevoel van berusting krijg ik bij het betreden van m'n huis, waar rozeachtig zonlicht door de ramen naar binnen valt. Ik ben thuis, en hoef even niks te doen. Of toch wel? Er is deze zomer zoveel gebeurd... herinneringen aan vage dialogen, intensieve momenten, excentrieke figuren. En dat alles onder een felblauwe lucht. Ik mag ze niet laten gaan! Want wie weet is dit alles opeens weer voorbij. Bedenk ik me, terwijl ik het scherm van m'n computer openklap en uit mijn boekenkast één van mijn volgeschreven schriftjes pak. Met een illustratie van oranje bergen van de schilder Higashiyama Kaii, gekregen van een vriendin vorig jaar. En lees in krulletters mijn verhaal over een berg die steeds kleiner werd.
De laatste herinnering die je hebt aan een plek blijft je het meeste bij. En deze keer was het ook zo. Hun breed lachende gezichten vol zomersproeten. In felrode, veel te grote overalls zwaaiden ons uit, met de armen uitgestrekt in de lucht. Twee mensfiguurtjes die opeens zo klein leken vanaf de boot. Op een grof geschapen betonnen platform, omringd door kolkende golven met op de achtergrond de perfecte driehoekige berg waar ik me bij aankomst op dit eiland al over verbaasd had. De enorme driehoek werd steeds kleiner naarmate de boot, met ons op het achterdek nog opgegaan in het moment van afscheid zich steeds verder van het eiland terugtrok. De inmiddels zo kleine armpjes van de rode figuurtjes gingen nog steeds heen en weer, totdat wij voor hen uit het zicht verdwenen waren. Onze ogen waren nog altijd gericht op de vorm van Takamijima, het eiland waar wij, de vier vrijwilligers, samen hadden doorgebracht om te helpen met de voorbereidingen voor de Triennale. Vooral omdat de boot maar rechtdoor bleef varen en de vorm van het eiland maar in stand bleef, ervoer ik 'het verwijderd raken' van deze plek sterker dan anders. Het brede witte spoor dat de boot achterliet en ons nog een beetje ermee verbond. Het schuim dat opspatte tegen mijn gezicht en haren die wapperden in de wind. Nog steeds gefascineerd door die typische vorm van dat eiland, waar je zo hoog op uit kon kijken...
"Ik hoef jou ook niks uit te leggen!" riep mevrouw Yagyu trots uit dat ik mijn huiswerk had gedaan. "Het klopt inderdaad dat Takamijima (Hoog gezien eiland) zijn naam te danken heeft aan zijn vorm, dat zul je zo zien..." Ze was één van de spraakmakende figuren van de vrijwilligersploeg waar ik zojuist in was beland. Op een kleine, moeizaam te bereiken pier in een haven vol schepen en industrie in een dorpje ten westen van Takamatsu stonden wij s'ochtends vroeg vol verhalen en gesprekken te wachten op de boot. Ik bedankte de aardige meneer van de ploeg voor het gratis bootkaartje dat ik kreeg, ondanks dat ik mij niet officieel had aangemeld via hun website. En kwam dan de extra snelle speedboot, die speciaal voor het festival was ingezet. Daar gingen we dan! De enthousiaste gesprekken bleven doorgaan aan boord: over waar we vandaan kwamen, over waar zij allemaal wel niet aan hadden meegewerkt tijdens vorige Setouchi Triennales , en wat ons nu uiteindelijk hier bracht... Was het onze liefde voor kunst? Een liefde voor dit soort evenementen dat zoveel verschillende mensen bij elkaar brengt? Hun gedetailleerde beschrijvingen over verschillende werken van beroemde kunstenaars en evenementen waar ik al zoveel over had gelezen lieten mijn hart sneller kloppen en gaven een gevoel van verbondenheid. Wat gaaf om hier nu deel van uit te kunnen maken! Ondertussen doemde in de verte steeds groter onze bestemming op.
De tijd leek voorbij gevolgen te zijn toen wij aankwamen op Takamijima, een eilandje van slechts 20 inwoners in het westen van Kagawa prefectuur. Een lichte spanning kwam in mij op. "Ik denk dat ze vandaag weer in het rood gekleed is!" zei een mannelijke vrijwilliger, die duidelijk op haar was gesteld. En het klopte. De kunstenares kwam aan in een rode werkoutfit, een handdoekje om het hoofd geknoopt. Een begroeting en een buiging. Even voorstellen. En al gauw daarna werd er voor ons gezorgd. Een van de vrijwilligsters die hier al langer had doorgebracht liet mij zien waar we vanavond zouden slapen: op de tweede verdieping van een oud pakhuis in de vissershaven. De ruimte rondom dit stoere huis trok mijn aandacht: vol met wasgoed, onbekende geoogste groenten en enorme zeeschelpen die als een kluwen aan een dik touw met elkaar waren verbonden. "Als je verdwaald bent, let dan op de schelpen." zei ze. We maakten een wandeling over het eiland, met vele trappen de berg op. Langs nauwe steegjes met houten huizen, akkertjes en bamboebossen, kwamen we aan bij een oud houten huis. De plek waar zij haar werk maakte. We klommen over een stenen trap omgeven door aarden muren die wild begroeid waren met klimop. Door een houten poort kwamen we in de binnenplaats. In de tuin ontmoette ik de vrijwilligers weer, die druk bezig waren met het sjouwen van zakken en op hun hurken aan het werk waren. In het huis troffen we elkaar weer. De kunstenares was druk in gesprek met de handwerklieden over wat de volgende stap zal zijn voor haar werk genaamd 'De dingen die van binnen bestaan'.
Over de rand keek ik naar de ruimte, en zag een structuur zoals ik in traditionele Japanse huizen nog niet eerder had gezien. Een grote doma (aardevloer) met een enorme verhoging tussen de ingang en de omoya (hoofdruimte). Er was een trap nodig om veilig in de woonruimte te belanden, een donkere ruimte zonder vloer waarvan de ramen aan de voorkant waren afgeschermd door grote doeken. Het waren schilderijen. Een open raampje aan de achterkant van het huis zorgde voor een beetje licht in de ruimte, waardoor een maanlicht-achtige voorstelling te zien was. Het zag eruit alsof ze met een penseel tegen het doek had gespat, zo diffuus en toevallig leken de inktvlekken verdeeld te zijn... Toen ik wat beter om mij heen keek, leek dit werkelijk zo te zijn. In het begin viel het me nog niet op, maar op het donkere hout van de muren en kozijnen van het huis zag ik dezelfde inktvlekjes. Steeds meer vragen kwamen in mij op... Ondertussen legde de kunstenares met behulp van een kartonnen doos uit hoe zij het proces en het resultaat voor zich zag. "Aan iedere kant zul je schilderijen zien en de hoeken van de ruimte zullen rond toelopen door kiezelstenen die wij op het eiland verzameld hebben op te stapelen en in het midden komt er een groot sculptuur van stenen..." Hoewel ze poogde om onze fantasie te prikkelen, zag ik het nog niet helemaal voor me. Om de schilderijen aan de muren te kunnen bevestigen, moesten er houten latten aan weerszijden worden vastgemaakt. Er kwamen spijkers in het hout. Op het laatst legden we alle panelen bij elkaar en moesten we deze met de tekening richting de muur tegen de muur aanzetten. Een zogenaamde 'blue sheet', een kleed dat meestal wordt gebruikt bij het picknicken diende deze keer als bescherming van de schilderijen... er moesten immers maatregelen worden genomen tegen de tyfoon van volgende week. Algauw begreep ik ook waarom de ramen waren dichtgeplakt en de functie van de zware zandzakken aan de voorkant van het huis. Ik hoopte vurig dat dit fragiele huisje en alles dat hier gemaakt was er veilig doorheen zou komen...
Dit kleine huisje op de top van een berg. Met een ruime binnentuin en prachtig uitzicht op zee. Wie zouden hier vroeger gewoond hebben? En waar zouden de bewoners heen zijn gegaan? Een ding is zeker: aan hun verhuizing, en het verplaatsen van de spullen die bij hun volle levens hoorden, hadden zij niet al te veel tijd besteed. Tijdens een middagmaaltijd van koude somennoedels en pas geoogste tomaatjes kregen wij choquerende foto's te zien van de staat waarin de kunstenares het huis aantrof. "Ik kon het niet geloven... zoveel spullen waarvan ik niet wist wat ik ermee moest. Daarbij was het huis in een slechte staat en had ik niet al te veel vertrouwen." Kijkend naar de volgestouwde rommelige ruimtes op het schermpje van haar telefoon was het des te meer bewonderenswaardig hoe zij het voor elkaar had gekregen om hiervan zoiets moois te maken. "Maar ik zou dit werk nooit in mijn eentje kunnen doen..." is iets wat zij steeds weer benadrukte. En misschien was dat juist zo mooi aan haar werk. Dat we er allemaal, hoe klein en onbetekenend onze rollen leken, deel leken uit te maken van het geheel. Als een van de kiezelsteentjes in de grote berg die de kamer zou vullen.
"Kijk uit dat je geen last van je rug krijgt meisje, laat mij dat doen!" riep een oudere mevrouw toen ik een zak kiezels door de tuin sjouwde. Wij verdeelden de steentjes van het strand van Takamijima in verschillende maten en vormen, zodat deze tijdens het bouwen van de toren op een makkelijke manier konden worden toegepast. "Dit hartje mag je hebben" zei ze. Het hartsteentje zit nog steeds in m'n tas. Ik genoot en leerde van de gesprekken van de vrijwilligers, en van hun enthousiasme. Toen ik vragend keek naar de inktspetters op de houten muren van het huis, kreeg ik te horen dat de kunstenares het beter vond om het werk in het huis zelf te maken, op de plek waar het uiteindelijk zou worden tentoongesteld. Als je eenmaal op de plek zelf bent voelt immers alles anders... op deze manier krijgen de schilderijen werkelijk een connectie met deze plek. De kunstenares zelf was druk in gesprek met de handwerklieden over hoe de ruimte moest worden. Met bewondering keken wij toe hoe deze 'amateurs' materialen doormidden zaagden en een trap bouwen die het betreden van de hoge ruimte wat veiliger maakten.
Ondertussen gingen wij op in het meditatieve werk en luisterde ik naar een stoer verhaal over een vrijwilligster die voor de beroemde Christian Boltanski het zogenaamde 'fluisterbos' had gemaakt in Teshima en met een ontroerde uitdrukking vertelde op het moment waarop hij zichtbaar blij was met het resultaat en zei dat de vele furin belletjes die dansten in de wind precies beantwoordden aan het beeld van het werk dat hij in zijn hoofd had. "Soms zal het zwaar zijn, maar hier kun je ervaringen opdoen die je nergens kunt, dingen over kunst te weten komen die je je anders niet had kunnen voorstellen en met trots kunt terugkijken op een werk waar je zelf aan hebt meegewerkt." Op een mooie manier bracht zij onder woorden waarom ik besloot om op mijn vrije dagen af te reizen naar dit eiland, waarom ik toch besloot om contact op te nemen en te vragen of ik misschien ook mocht meehelpen. Toen het begon te schemeren en het werk er eenmaal opzat voor vandaag namen wij samen een groepsfoto voor het prachtige uitzicht op de zee vanaf de tuin. Gevoelens van overwinning welden in mij op. Bezweet maar lachend en voldaan riepen we "Yay!" voor de camera. En nu was het etenstijd...
In de woonkamer van een hooggelegen traditioneel huis. Door een klein raampje in een hoekje hadden we een prachtig uitzicht op zee. Stuk voor stuk brachten we iets mee uit de keuken en zetten wij deze op de langwerpige, lage tafel in de ruimte: koude graanthee, glaasjes, bordjes. Geïmproviseerd maakten we vele kommetjes instant misosoep met gekookt water. En toen ging de koelkast open... en kwam er een onverwacht feestmaal tevoorschijn. De misosoep op tafel werd vergezeld met doosjes mooi aangeklede sushi in vierkante en ronde vormen, met allerlei soorten vis zoals zalm, tonijn, baars en anago (aal) en ook de tomaatjes en komkommers uit de moestuin mochten dit keer niet ontbreken. Smullend van alles voelde ik een moment een schuldgevoel opwellen: ik had maar één dag meegewerkt, mocht ik dit wel allemaal hebben? "Jullie eten toch zeker niet elke dag zo luxe?" vroeg ik voorzichtig. "O jawel hoor, we krijgen altijd heel veel van de mensen van het eiland, wij hoeven eigenlijk niks te kopen," zei een van de jongere vrijwilligers die net als ik die avond was achtergebleven op het eiland. We konden dus niets anders doen dan er samen van genieten... en dat deden we! Van het eten, van de gesprekken, van de nazomernacht. Er waaide een koele bries door het huis. De lucht door het raam veranderde langzaam van roze, paars naar donkerblauw. In de binnentuin keken we naar het felle licht van een bijna volle maan. Toen kwamen er een heleboel felgekleurde vuurwerkstokjes tevoorschijn. Met vonkjes en sterretjes, 'bloemen van vuur' zoals ze in het Japans genoemd worden, versierden we de binnentuin van het huis. En als een sterretje van een van ons dreigde te doven, staken wij deze aan met een sterretje van iemand anders. De lachende gezichten van nieuwe vrienden in het flauw gekleurde licht bleven mij bij. En toen kwam het laatste stokje... fleurige bloemen bloeide in de nacht en doofden zachtjes uit. Toen was het voorbij.
De volgende dag genoten we van wandelingen op de stranden van Takamijima. Het hagelwitte zand voelde zacht aan mijn voeten. Tijdens obon, de dagen in het jaar waarop overleden dierbaren terugkomen naar deze wereld, lieten mensen van het eiland felgekleurde bloemen achter op een begraafplaats aan zee. Vredige beeldjes en stenen in het zachte zand. Daar werden zij die vroeger op dit eiland woonden herdacht, daar kwamen zij misschien weer even tot leven. Ik dacht terug aan de vraag die ik stelde, toen wij met zijn tweëen in de ruimte stonden van haar kunstwerk. "Wat zijn voor jou 'de dingen die vanbinnen bestaan?'". Ze dacht even na voor ze antwoordde. "Op het eiland kunnen we veel dingen vinden. Maar voor mij gaat het niet om de materiële dingen die hier zijn. Het gaat om de dingen die wij hier voelen, die wij als mensen allemaal met elkaar gemeen hebben." Veel dingen zijn hier niet te zien. De verhalen van mensen die al lang geleden vertrokken zijn. Sporen van hun aanwezigheid in de natuur en de verlaten dorpjes. En nu zijn wij hier. Wij zijn hier samen geweest, hebben samen gewerkt, gezwoegd en gelachen. Voor ons is deze plek een bron van energie... die binnenin ons zal blijven leven, bedacht ik me, toen het eilandje, en zij die ons uitzwaaiden, steeds kleiner werden aan de horizon.
Bloemen in de lucht. Steeds mooier en groter bloeien ze naarmate dat ze hoger in de lucht raken. Steeds komt er een einde aan. En dan als je denkt dat het voorbij is begint er weer iets nieuws. Het was een onverwachts cadeautje na een dag werken in het Museum, een gebouw dat op een van de hoogste bergen ligt van Naoshima. "Zij daar beneden willen allemaal zo dichtbij mogelijk komen... maar een betere staplaats dan dit kun je niet krijgen!" lachte een collega. Ik was duidelijk niet de enige die na werk met open mond stond te kijken naar dit onverwachte schouwspel van vuurwerk in allerlei verschillende kleuren en vormen die ik nog nooit had gezien. "Een regenboog! Een ster! Een watermeloen!" En ja, ook de watermeloen zag er behoorlijk realistisch uit, met roze vruchtvlees en pitjes in het midden. Vanaf de berg hadden we een mooi overzicht op de vormen die boven de zee uitschoten, vanaf het platvorm in zee. Ook zagen we de gele pompoen liggen die s'avonds felgeel verlicht is en een mensenmassa daar omheen. Iedereen is speciaal naar Naoshima gekomen om het beroemde 'Hi Matsuri' (Vuurfestival) te aanschouwen. Dat is niet niks! En dus was het nu toch wel tijd om de gebeurtenis van dichtbij te bekijken.
Met mijn elektrische fiets roetsjte ik de berg af richting de pompoen, waar ik even afstapte. Een collega die nog druk bezig was met het verkeer regelen sloeg mij gade. "Je bent hier precies op het juiste moment! De finale komt zometeen." Ik stapte af van mijn fiets en kon alleen maar blijven kijken naar de lucht, waar de klappen van het vuurwerk zich herhaalden, maar de abstracte figuren steeds groter werden. Zo groot dat de gehele lucht zich leek te vullen met goud en zilver... Met op de voorgrond de gele pompoen. Met daaromheen alle mensen die samen met mij naar al dit moois keken. Omringd door de koele lucht van een zomer die bijna voorbij was. Dit zijn momenten om nooit te vergeten.

Lichtblauw water met gouden lichtjes erin, glinsterend in het zonlicht. De warme zonnestralen aaien mijn rug op de fiets, mijn haren in de wind. Tussen coulissen van donkere pijnbomen zegt de zee mij gedag. Ik ben vandaag niet alleen op het strandje. Een klein meisje met een bekend gezicht staat met de ogen dicht en een duikbril op de tafel. Haar vader smeert haar in. Onze ogen ontmoeten elkaar. "Hé, hoe gaat het? Waar ben jij geweest?" roept hij spontaan. Het is inderdaad een tijd geleden. Toch is het vreemd dat wij elkaar niet meer hebben gezien tijdens de zomer, terwijl we zo graag op het strand doorbrengen. "Waar is uw vrouw?" vroeg ik, ietwat naar de bekende weg. "Op haar werk! Waar anders?" Antwoordde hij. "Zij is altijd druk in de weer... jij ook toch?" Ik knikte. Zijn stem klonk niet klagelijk. Algauw richtte hij zich weer op zijn dochter. "Ze kan al heel goed zwemmen hoor!" zei hij trots. Er verschijnt een twinkeling in haar bruine ogen. En het volgende moment dribbelt ze richting het water en dan een grote plons.
Terwijl ik in de schaduw van de pijnboom mijn onigiri met zalm zit te eten, kijk ik hoe het paar aan het spelen is in het water. Denk ik terug aan de fijne zomerdagen die ik hier doorbracht, met familie die mij kwam opzoeken, met nieuwe mensen die hier in mijn leven zijn gekomen. Ondertussen zie ik die twee wild spelen in het water, hoe de kleine op de rug van papa geklauterd is en van hem afspringt als een springplank. Het is een vrolijk gezicht. Echter is het nu al 1 september... het einde van het zwemseizoen in Japan. Verder is er dan ook, ondanks de perfecte weersomstandigheden, niemand meer op het strand te bekennen. Behalve wij! Bij mijn eerste stappen in het water - de nog warme maar toch zo verfrissende temperatuur, de perfecte diepte om in te zwemmen, het ontbreken van bossen van zeewier waar ik in augustus nog door werd gehinderd, dat de eerste dag na 'het einde van het zwemseizoen' ironisch genoeg de meest perfect zwemdag ooit was.
Ik kon geen genoeg krijgen van het gewichtloze gevoel in het koele water, de zachtere najaarszon in mijn gezicht, de capriolen van die twee waterratten in de verte. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht. Opeens werd ik in het verleden gegooid. Mijn eerste duik van het jaar in het felle blauwe water, lange zomervakanties. Een glimlach die ik bij het zweven op de golven niet kon onderdrukken - mijn vader die lachend komt aanlopen. "When the lady smiles!" zingt hij. Mijn broertje die op de rug van vader klimt. Zijn dunne lange beentjes in de lucht terwijl hij door de golven wordt meegesleurd en kirrend boordevol zand de branding op rolt. Een weemoedig gevoel krijg ik, totdat de twee figuurtjes in de verte dichterbij komen en ik terug in het heden beland. "Ze is teleurgesteld over het feit dat het vlot en de springplank zijn ontmanteld. Daarom wil ze steeds van mij afspringen!" zei hij klagelijk. En dat deed ze ook... ze had een ongekende energie en kon enorm goed zwemmen voor een meisje van vijf. Ondertussen was er een zwemster bijgekomen. Een oudere Française met een zeer professioneel uitziend zwempak en badmuts knikt ons toe en zwemt vervolgens duizend baantjes de borstcrawl van de rotsen aan de ene kant van de kust tot aan de gele pompoen.
Er komt een gezin aangewandeld. Moeder en vader gekleed in lange broek en jurk, keurig met jasje aan en hoedje op. Boven hun hoofden een parasol tegen het zonlicht. Hun schattige dochtertje loopt naar het water toe en kijkt naar het ravottende meisje in het water. Mama en papa nemen het kindje met het hoedje op beschermend bij de hand en lopen met haar langs de waterkant. Tot aan het einde van de rotsen, waar je naar mijn herinnering, de mooiste schelpen en stenen kunt vinden. Goed gekleed naar het seizoen dat nu is gekomen... het is bijna herfst! Hoewel ik van tradities hou, voel ik nu toch meer voor onze positie van waterratten. (De rebellen? De spelbrekers?) En voel ik me verbonden met het meisje in zee, dat we allebei bevoorrecht zijn met lieve, grappige ouders die de basis zijn voor onze mooie herinneringen voor later. Wij wonen op een eiland, kunnen doen wat we willen, wij zijn pas echt vrij! Hoe het ook zij, dit waren dan een paar mooie herinneringen aan de zomer. En die is nu weer voorbij.