Ik kon mijn ogen niet geloven. Dacht ik dat ik op tijd
in de haven zou zijn voor de ferry richting Takamatsu, blijkt dat er geen
enkele mogelijkheid is geweest om de mensenmassa ook maar enigszins te
ontwijken. Het havengebouwtje puilde uit van de mensen en de ‘rij’ was als een
enorme slang die de weg kwijt was en talloze keren was afgeslagen. Maar waar is
de staart? En heeft het überhaupt nog zin om in de rij te staan voor deze
laatste boot van vandaag? Vroeg ik mij ongerust af. Toch hield ik de moed erin
en ging ik, voor zover ik begreep waar het einde was, in de rij staan. Om mij
heen was de sfeer onrustig geworden, al kon ik maar weinig van de gejaagde
gesprekken om mij heen verstaan. Het waren voornamelijk Chinese jongeren die
vandaag Naoshima hadden bezocht en nog met de laatste ferry poogden terug te
gaan naar Takamatsu. Je zou maar vanavond met het vliegtuig richting Shanghai
moeten, bedacht ik me angstig. Niet dat mijn situatie nou zo fijn was… Ik had
de kaartjes voor de voorstelling van die avond had gekocht en al maanden in
mijn hoofd gehad dat ik van alle evenementen van de Setouchi Triennale in ieder
geval dit werk wilde zien.Het zou zo jammer zijn als ik het zou missen.
Ondertussen liep de spanning op. De rij ging wel
vooruit, maar te langzaam. De ingang van de boot was nog ontzettend ver weg en
we hadden al vele benen het dek op zien lopen. Steeds een stukje vooruit, dicht
tegen iedereen aan, als een kudde schapen. Begeleid door de mensen van het
havenbedrijf met bordjes en vlaggetjes, als schapenhoeders. Opeens zag ik
iemand met een informatiebord middenin de rij staan. Ik ging op m’n tenen staan
om te zien wat er stond, maar de mevrouw die het bord omhoog hield was nog
aardig ver weg. “Vanaf hier de rij voor de extra ferry”. Opeens ging de
poort van de boot omhoog totdat deze volledig gesloten was en vertrok richting
Takamatsu. Een extra ferry… dat is wel leuk en aardig, maar de rij is nog
steeds enorm en wie zegt dat wij daar dan wel allemaal op kunnen? Ik begon weer
onrustig te worden. En velen met mij. Mensen die subtiel probeerden een beetje
voor te piepen, en de boze stemmen van mensen die zich daaraan ergerden. Een
zucht van verlichting toen ik eenmaal op het dek stond van de ‘extra ferry’,
een oude boot die meer gericht leek te zijn op een paar werknemers van
Mitsubishi Material in de plaats van deze duizend toeristen en Lisanne.
Na mijn Seven Eleven maaltijd achter de kiezen te
hebben en tussen alle hoofden door te hebben genoten van hoe de zon in zee zakte,
kwamen we aan in de stad. Sommigen haastten zich de boot af, misschien nog maar
net op tijd voor hun volgende aansluiting (Bus? Trein? Vliegtuig?!), anderen
deden het rustig aan. Zo ook ik, de kaartjes had ik immers al en de
voorstelling, die zou beginnen in de Sunport Takamatsu Hall, begon pas over een
uur. Sunport Takamatsu is een hoog, licht gebouw dat vanaf de boot al snel in
het oog valt en deel uitmaakt van de bescheiden maar mooie ‘skyline’ van
Takamatsu. Het gebouw is verbonden met de ferryterminal door een overdekte
looproute. Hoewel ik eerst dacht dat het alleen functioneerde als winkel en
kantoorgebouw, blijken er ook een aantal theaterzalen in gevestigd te zijn,
waar zowel performances als films worden vertoond. Wat er vanavond precies
vertoond zou worden kon ik mij nog niet goed voorstellen, maar ik begreep wel dat
dit stuk van de Nederlandse kunstenaar Christiaan Bastiaans een unieke samenkomst van verschillende werelden zou
zijn. Samen met een grote groep bezoekers, voornamelijk Japanners maar ook
enkele buitenlanders, stond ik klaar om
dit allemaal te kunnen ervaren.
Een donkere ruimte. En dan een beetje licht. Mensen
verschijnen. Een moment denk ik dat het een film is, en zij acteurs zijn die op
een vierkant kader verschijnen. Wanneer ik beter kijk zie ik pas dat zij echt
voor mij staan. Een jonge dame, een mevrouw, een oudere meneer. In het zwart
gekleed, hun gezichten lijken licht te geven zodra zij spreken. In
verschillende talen spreken zij, Japans en Engels. Maar toch verstaan zij
elkaar. Hun verhalen zijn onsamenhangend en gaan langs ons heen. Als publiek
begrijp je enerzijds nog niet goed waar zij het over hebben, maar kijkend naar
hun gepijnigde blikken, de hoge tonen waarin zij tot kippevel toe breekbaar zingen,
begrijp je dat zij lijden. Zij zitten gevangen. Hun bestaan in de donkere
wereld wordt onderbroken, nee eerder doorkruist door een andere verhaallijn dat
zich afspeelt op een scherm die parallel lijkt te staan aan hun wereld. Een
mevrouw met lichte haren en een vriendelijk gezicht. Haar zachte stem vertelt
over haar wens om naar een zeker eiland af te reizen. De terminal van Takamatsu
waar ik zojuist was komt groot in beeld. Opeens een hele open, lichte wereld.
We zien haar in een bootje stappen en dromerig naar buiten kijken, steeds dichter
bij haar bestemming Oshima. Het eiland waar mensen vroeger naartoe gingen zodra
hun ziekte werd ontdekt, waarschijnlijk nog niet wetende dat zij tot het einde
van hun leven hier zouden blijven.
Als een donderschok komen we in een andere dimensie
terecht. Angstaanjagende beelden onderbreken de ogenschijnlijk vredige wereld
waarin zij zojuist aan land was gegaan. We zien donkere ruimtes, nauwe gangpaden.
En maken kennis met nieuwe personages. Jonge mensen met eccentrieke
uitdossingen in een surrealistische wereld. Zij zitten gevangen en schreeuwen
het uit. Zij worden onderdrukt. Kritische blikken van artsen die hun bestaan
enkel koeltjes analyseren, maar hen geen enkele manier van een menselijk
bestaan gunnen. Hoewel de gebeurtenissen te abstract zijn om te kunnen begrijpen,
voel ik mijn maag omkeren bij het aanschouwen van deze ‘gruwelijkheden’ en ben
opgelucht zodra de chaotische scenes worden onderbroken door een ander verhaal.
In het midden van de donkere zaal staat een figuur. Het is een oudere man in
een pak dat zijn hele lichaam en ook een deel van zijn hoofd bedekt. Hij heeft
allerlei touwen om zich heen, wat enerzijds doet denken aan de vele touwen van
vissers die je overal ziet liggen hier op de eilanden. Anderzijds lijkt de ‘dans’
die hij maakt weer een verband te hebben met de gesloten, geisoleerde situatie
van de mensen op dit eiland. De langzame, ronde bewegingen met zijn armen
waarmee hij de touwen tot beweging brengt, de schuifelende manier van lopen. De
manier waarop hij de gevoelens van deze mensen verbeeldt is vervreemdend en tegelijkertijd
zo prachtig.
Dialogen en gezang van de ‘echte’ mensen op het podium
worden zo nu en dan afgewisseld door lieflijke stemmen en beelden van oude mensen
die achter hen verschijnen. Een oudere mevrouw vertelt over haar leven in het
sanitorium op Oshima waar zij sinds haar twintigerjaren heeft doorgebracht. Zij
is een van de patienten waar op jongere leeftijd leprosie werd geconstanteerd
in een tijd waarin nog niet veel bekend was over de ziekte. Isolatie van de
rest van de wereld, ook van je familie en vrienden, werd destijds nog de beste
oplossing geacht. En zo zijn er al vijftig jaar voorbij gegaan sinds de
patienten aan land kwamen op dit eiland om opgenomen te worden en niet meer
terug te keren. Hoewel de leprosie preventiewet inmiddels is afgeschaft, wonen
nog steeds veel van de voormalige patienten op het eiland. Duidelijk dragen
velen van hen nog de littekens van een zwaar leven. Sommigen blind of doof.
Maar regelmatig verschijnt er een glimlach op de oude gezichten, wanneer zij
vertellen, wanneer zij omhelsd worden door actice Liv Ullman die zich vele
jaren heeft ingezet voor deze mensen. Een gevoel van verlichting krijgen we bij
de laatste scène, wanneer zij samen met een oude man danst onder de
kersenbloesems die in volle bloei staan. Hij speelt op een mondharmonica. Het
verdrietige en tegelijkertijd vrolijke geluid omringd door roze bloemblaadjes
brengt een mooi slot aan dit verhaal.
Een verhaal dat aan een einde gekomen is, maar dat niet
vergeten mag worden, bedacht ik me, terwijl ik naar buiten keek naar de
lichtjes van de stad. Wanneer wij verder van Takamatsu verwijderd raakten, zag
ik alleen nog maar duisternis om mij heen. De zee en de lucht zijn donkere
vlakken. Nog steeds had ik het gevoel dat ik de wereld van de voorstelling nog
niet helemaal had verlaten. De intense uitdrukking van de personages, de
verdrietige zang, de elegantie van traditioneel Japans theater en uiteindelijk
een slot dat mij ontroerde. Ik keek nog vele malen in het boekje met verhalen
over Oshima die ik voor de vertoning kreeg. Ondertussen leek de kleine boot over
de golven te vliegen, zo snel bracht hij mij weer naar Naoshima. Wij zijn vrij
en kunnen overal naartoe waar me maar willen. Maar wat nou als wij ook door een
wending van het lot opeens zouden worden beperkt in onze vrijheid? En gezond
zijn niet meer vanzelfsprekend zou zijn? Het zijn vraagstukken waar ik tot nu
toe niet vaak genoeg bij stil had gestaan, realiseerde ik me. Mijn gedachten
verdwenen in de donkere nacht.
En toen was het ochtend. Flauw zonlicht scheen roze-achtig
door mijn gordijnen. Buiten was het ijskoud. De lucht is felblauw, bijna blauwer
dan mijn aquarelpotloden. Met veel moeite opende ik de zeer stevig
dichtgeknoopte plastic zak vol met ronde, zware lekkernijen. De mochi van het
nieuwe jaar, vers geplet uit de enorme vijzel uit de voortuin van de
dorpsoudste. Deze kon moeilijk geweigerd worden. Toch probeerden collega's er
met smoesje onderuit te komen. "Maar ik heb al zoveel mochi gekregen dit
jaar!" "Sorry, ik ben op dieet." Ik had echter eerder zorgen om
de oudbakkenheid van de rijstcakes: "Het is al januari... kun je ze
nog wel eten?" "Natuurlijk wel! Chin (piep) ze gewoon even op!"
zei onze goedlachse manager bemoedigend. "Dat noem je toch geen chin! Dat
ding heet een magnetron!" verbeterde mijn sempai haar. "Maar Lisanne,
jij begreep toch wel wat ik bedoelde?" Natuurlijk begreep ik het. Na 3
jaar begin steeds meer Japanse dingen te begrijpen... (Wacht, 3 jaar al?!)
De taal, de gebruiken, de dingen waar mensen waarde
aan hechten, naar uitkijken. Ongemerkt zijn deze ook een deel van mij geworden.
En zo vroor ik ook de mochi in na Nieuwjaar. En ging ik naar het Hachiman-jinja
voor hatsumode, het eerste gebed van het nieuwe jaar. Hachiman-jinja is het
belangrijkste shinto heiligdom van Naoshima: in tegenstelling tot andere
tempels worden hier alle lokale goden van het eiland vereerd. De ingang van
Hachiman-jinja is makkelijk te herkennen aan de grote stenen torii, een
opvallende verschijning tegenover de lage houten huisjes eromheen. Achter deze
poort, het begin van het heiligdom, doemt al gauw een enorme trap op waarvan de
massieve stenen traptreden steil tegen de heuvel aan zijn gebouwd. Vooral voor
mensen die niet van wandelen houden is het wellicht een angstaanjagende
gedachte dat deze trap zo'n honderd treden hoog is... echter houd ik wel erg
van wandelen en deze trap is zeker geen probleem voor mij. En zo ging ik,
stukje bij beetje, steeds hoger de berg op, geleidelijk aan raakte ik
verwijderd van de gewone wereld met huisjes, mensen en winkels en betrad een
wereld omgeven door groen. Door het bladerdek van de vele bomen, die als een
tunnel zich om mij heen vormden, vielen flauwe stralen zonlicht naar binnen. De
schitteringen dansten op de treden, over mijn voeten die ik tijdens de klim
goed in de gaten hield.
Halverwege een ontmoeting met de twee tempelwachters
die aan weerszijden van het pad, ieder in een soort houten kamertje geplaatst
met een opening aan een kant. De duidelijk getekende ogen kijken mij strak aan
en ook de felle kleuren van hun gewaden zijn ongebruikelijk. Evenals het
schattige poesje dat aan een kant van het kamertje nieuwsgierig naar een van de
heren opkijkt. Het is een houten beeldje gemaakt door de beeldhouwster Miwa Michiyo. Het
was aan haar om op een subtiele manier nieuw leven te blazen in deze tempel,
waar juist plannen waren gemaakt om de oude vervaagde beelden een likje verf te
geven. Gewoonlijk houd ik niet van overgeschilderde dingen, het voelt zonde.
Want zijn dingen niet juist mooi omdat ze oud zijn? Toch vind ik het nieuwe beeld
in gematigd felle kleuren in combinatie met het grijnzende poezenbeest een
mooie combinatie, een lieflijke samenkomst van oud en nieuw die echt bij
Naoshima past.
Ik ben niet alleen op de trap. Voor mij lopen in
langzaam en weifelend tempel twee jongetjes met hun moeder. Iedere keer
omkijken hoe hoog we zijn... en steeds is de bewoonde wereld ietsje verder weg.
Ik denk terug aan mijn eigen ouders die ik ontmoette in mijn eerste droom van
het Nieuwe Jaar, ook iets belangrijks waar mensen hier bij stilstaan. Ik droomde
dat ik mijn familie in Nederland weer zag, een beeld van een zeer nabije
toekomst. Wat kijk ik ernaar uit om binnenkort even terug te gaan! Maar nu ben
ik nog hier, mijn voeten raken bijna de veilige zanderige grond. Ik heb de berg
beklommen. In het midden van de open plek een houten tempelgebouw met uitzicht
op zee door de naalden van de pijnbomen bekeken. Denkend aan ons geluk en onze
gezondheid gooide ik een muntje in de saisenbako, een houten doosje met een
horizontale opening aan de bovenkant. Toen moest ik even denken. Twee keer
buigen, twee keer klappen en dan is het tijd voor een wens. Even mijn ogen
dicht. Dan weer open. En nog één keer buigen... ik hoop dat ik het goed heb
gedaan.
Vervolgens viel mijn oog op een doosje in de hoek van
de tempel. Er lagen kleine, langwerpige strookjes papier in. Omikuji, oftewel
toekomstvoorspellingen. "Pas pakken als je klaar bent met bidden"
stond er streng. Ik raakte nieuwgierig en angstig tegelijkertijd... angst voor
een slecht teken. Maar deze keer had ik vertrouwen in de goden van Naoshima. Ik
vouwde een briefje voorzichtig open en zag een woord staan waarvan de zon
feller leek te schijnen. Niet te geloven! Zoveel geluk heb ik nog nooit gehad!
Voorspoed, hoop, nieuwe kansen... echter, je moet wel op een oprechte manier
met je geluk omgaan stond er, als voorwaarde bij. Anders dan gaat alles alsnog
niet goed. Ik zal m'n best doen, en mijn geluk op de beste manier benutten!
Bedacht ik me, en daalde opgetogen de grote traptreden weer af. Licht aan het einde
van de tunnel.
En toen bevond ik mij weer in Honmura. Boven de deuren
van donkergekleurde houten huizen hingen 'shimenawa', versieringen voor het
Nieuwe Jaar. Toen ik tot mijn verbazing zag dat de buurtsuper al om deze tijd
niet zoveel meer verkocht besloot ik om toch eens binnen te stappen in dat
gezellig-uitziende huiskamercafé tegenover de winkel. Al een lange tijd was ik
benieuwd naar de zogenaamde 'lunches van de dag' bij 'Café Ippo'. De eigenaren,
een ouder stel, merkten niet dat ik binnenkwam, zo toegewijd stonden ze van
alles voor te bereiden in de keuken. Ik nam plaats in een luie stoel aan een
rond houten tafeltje. De andere bezoekers van het café zaten er ongedwongen
bij. Kijkend uit het raam waar het zonnetje doorheen scheen. Tegenover mij stond
een tv, waar de actrices van de nieuwste ochtendsoap van de NHK in de
prachtigste kimono de meest luxueuze osechi proefden, allerlei lekkernijen met
voorspoedige symboliek die in Japan met het nieuwe jaar worden geassocieerd.
Opgaand in de kleurigheid van het culinaire
feest,schrok ik bijna toen de mevrouw van het café opeens naast mij stond. Ik
bestelde de 'Veggie plate', vandaag met een kruidige kikkererwtenkroket in de
hoofdrol. Terwijl mijn maaltijd werd klaargemaakt dacht ik terug aan een bijzondere
ontmoeting die ik laatst had. Aan het eind van haar verblijf van 7 dagen (!) in
Naoshima maakte ik kennis met een gepassioneerd schrijfster uit de Verenigde
Staten, op zoek naar rust en inspiratie op de eilanden. Haar blauwe ogen werden
waterig toen ze vertelde over haar bezoek aan het prachtige Teshima Art Museum
en keken verschrikt toen ik haar vertelde dat de meeste mensen toch maar één
dag hier besteden en dan verder reizen. Al gauw waren we het er over eens:
juist op dit soort plaatsen moet je een langere tijd doorbrengen om al het
moois echt te kunnen 'zien'. Opeens schoot haar iets te binnen: "Ik kan
ook zo genieten van het eten hier! In Honmura is er een klein cafeetje, Café
Ippo. En daar maken ze heel veel kleine gerechtjes met heel veel aandacht. En
dat proef je!"
En toen, zittend aan het antieken tafeltje op de
troon-achtige stoel kreeg ik hetgeen geserveerd waar ik zo nieuwsgierig naar
was. Een mooi dienblad kwam op tafel. Een bergje rijst in een kommetje van
donker aardenwerk, wat misosoep en op een bordje een paar eenvoudige
bijgerechtjes zoals gestoofde spinazie, een salade, een klein beetje hikiji en
in het midden een goudbruin kroketje. De buitenkant was knapperig en de
binnenkant verrassend pittig. Geruisloos zat ik te smullen. De geluiden van de
tv veranderden in gezoem op de achtergrond. Af en toe voelde ik ogen op mijn gericht
en opeens stond ze naast mij. Schrik! "Daijoubu desu ka?" Is alles
wel oké? Vroeg zij ietwat onzeker. Misschien was ik wel heel erg stil geworden
van het lekkere eten. "Het is heerlijk!" antwoordde ik. Een
zonnestraal ging over haar gezicht. "Kookt u wel vaker vegetarisch?"
En zo begon ons gesprek. Over eten en werken, manieren om gevriesdroogde tofu
te frituren, over de mooiste plek op Naoshima om de zonsopgang te zien, over tempels
in Kyoto en tenslotte kletsten we over de maintenance periode. Hoe zouden we
deze vrije dagen eens benutten? Ik vertelde dat ik terug naar Nederland zou
gaan om met mijn familie tijd door te brengen. Er verscheen een ietwat trieste
uitdrukking op haar gezicht. "Tijd... dat is het allerbelangrijkste. Tijd
gaat alleen maar vooruit. Achteruit gaat het nooit meer."
Net toen ik mijn hart zwaar voelde worden, verscheen
er licht door de opening van de deur die niet open ging. En zag een bekend gezicht.
Balancerend op één been deed ze haar laarzen uit voor de deur. "Hé,
Lisanne! Dat is een tijd geleden! Hoe is het?" Aan het ronde tafeltje werd
ik opeens vergezeld door een vriendin. "Ik ben vandaag eigenlijk aan het
werk," vertelde ze. "Maar ten minste één keer in de week tijdens mijn
middagpauze eet ik bij Ippo. Het is dan net alsof ik bij mijn moeder langs ga
om te eten." Op dit punt hadden wij iets gemeen. Allebei ver van huis. Ik
uit Nederland en zij uit Hokkaido, ook niet bepaald een plek waar je vanuit Naoshima
even naartoe gaat. Er zijn momenten dat je een goed gesprek nodig hebt. En goed
en gezond eten. Vooral op drukke en vermoeiende dagen zorgen de groenten van
Ippo-san voor nieuwe energie. Over vermoeidheid gesproken... ook konden we
elkaar een hand geven als het ging om drukte met werk de afgelopen periode. Het
kunstfestival was enorm hectisch geweest en vreemd genoeg wisten de toeristen
ook de periode erna van geen ophouden. Ging een laagseizoen er ooit nog eens
aankomen? We hadden eens moeten weten...
Er zijn dingen die je niet kunt inplannen. En er zijn
dingen die we nog net wel hadden kunnen inplannen. Net voordat alles zou
veranderen. Het was een beetje een rare en tegelijkertijd een hele fijne dag.
Een beetje zoals een droom. Met de kleine boot kwamen we aan in de haven van
Uno, waar de buschauffeur stond te wachten in zijn auto. Hij keek op van zijn
iPad waarop hij ongetwijfeld weer de best beoordeelde 'zaakjes' van Kagawa zat
op te zoeken. In de auto bedankten we hem al gelijk, dat wij dit weer met hem
samen mochten meemaken. Voor mij was het de tweede keer dat ik meedeed aan 'de
tour', voor haar was het de zoveelste keer (ze was de tel inmiddels
kwijtgeraakt). Al gauw gingen we de weg op en raakten we op een plezierige
manier aan de praat over de dikke noedels die we vandaag zouden verorberen.
Waar hadden we de vorige keren ook alweer udon met elkaar gegeten? Wat voor
seizoen was het toen? En welke weersomstandigheden? Vandaag hadden we in ieder
geval heel erg geboft: het was prachtig weer. Vanuit de auto zagen we het
slaperige stadje Tamano tot leven komen onder de blauwe lucht. Tunnels brachten
ons door de grof gevormde bergen en rotsen die dit plaatsje rijk is. En toen
zagen wij de zee, zo blauw. Over een kronkelende weg reden wij parallel langs
het water. In de verte zagen wij al de Grote Brug van Seto opdoemen...
Het blijft zo ontzettend gaaf, zo vreselijk cool. Dat
gevoel! Om over een hele zee heen te rijden. Om vanaf zo'n hoog punt alles te
overzien: alle boten en eilanden zijn opeens heel klein geworden en liggen aan
onze voeten. De lichte nevel in de verte en de zon die er doorheen schijnt
zorgt voor een adembenemend schouwspel van licht en donker. Het is
onbeschrijfelijk mooi. En gelukkig raken wij, ook als bewoners van Setouchi,
nooit aan deze schoonheid gewend. Als de brug aan een einde komt, voelt het
alsof we teruggekeerd zijn in de normale wereld. Het plaatsje Sakaide in Kagawa
prefectuur is een industriële havenstad en we worden omringd door de rook van
de raffinaderijen. We rijden verder door, het binnenland in. De chauffeur legt
uit dat wij deze keer naar het westen van de udon-prefectuur zullen rijden in
de richting van Mitoyoshi en Kanonji. Ik herinner mij deze plaatsjes gelijk van
mijn belevenissen tijdens de Setouchi Triennale. Via de havens van deze twee
kleine plaatsjes reisde ik af in de richting de eilanden Awashima en Ibukijima.
Toen ik vertelde over de sardientjes op Ibukijima begon de chauffeur te
grinniken. "Vandaag zal ik Lisanne iets laten eten waar ze versteld van
zal staan!" zei hij samenzweerderige manier. Het zou een dag vol
verrassingen worden.
Tussen de rijstvelden en de ronde bergen kwamen wij
uit op een woonerf. De auto werd geparkeerd naast een houten schuur, wat tot
mijn verbazing onze eerste bestemming zou zijn. Yamashita udon bleek een
typisch ‘self service’ udonrestaurant te zijn, maar dan weer iets anders dan je
in steden zoals Takamatsu ziet. Vanuit je zitplaats die bestaat uit eenvoudige
houten stoeltjes en in plastic gewikkelde tafeltjes kijk je uit op een ietwat
rommelige ‘open keuken’ waar twee omaatjes met handdoekjes om geknoopt hun
uiterste best staan te doen boven het frituurvet waar ze de meest knapperige
tempura uit tevoorschijn toveren. Van de chauffeur moesten wij natuurlijk de
specialiteit van deze udonschuur proeven. Daarom pakte hij al de metalen tang
voor ons en voordat wij ook maar een hand konden uitsteken verscheen er een
bolletje tempura met verse garnaaltjes erin naast mijn kom. Vervolgens bij de
kassa slechts 300 yen afrekenen voor deze heerlijke maaltijd en dan maar
smullen.
De garnaaltjes in een laagje beslag bleken behoorlijk zout
en knapperig te zijn. Oude mannetjes die van hun tv programma opkeken naar ons,
hoe een ongebruikelijk stel zoals wij zeer uitgelaten zaten te smullen van dikke
noedels. De gesprekken kwamen op gang en wij kwamen gaandeweg steeds meer te
weten over de man die ons wegwijs maakte door deze udon prefectuur van Japan.
Voordat we opstonden om te vertrekken naar ‘de volgende’ liet hij ons een foto
van een hondje met een eigenwijze uitdrukking zien. Nu mijn zoons het huis uit
zijn zou ik wel weer wat gezelschap willen hebben. Hij vertelde over zijn
briljante plan om een shiba inu hondje in huis te nemen en wij stemden toe dat
wij dat een heel goed idee vonden.
Met een vrolijke uitdrukking leidde hij ons rond door de
plaatsjes tussen de ronde bergen. Over provinciale weggetjes passeerden we
mooie straatbeelden met houten huisjes die uiteindelijk opnieuw plaats maakten voor de kust. De chauffeur wees ons een strand
aan dat zeer populair is als badplaats en naar een klein gebouwtje ernaast waar
je het lekkerste schaafijs kunt kopen. In de zomer komen we terug! Zeiden wij
enthousiast. Toen verbaasden we ons weer over vreemde planten langs de weg, een
soort aloë vera met oranje bloemen die mij aan de planten in Okinawa deden
denken. En het bleef een dag van ontdekkingen. Zo kwamen we bij iemand thuis in
een chaotische huiskamer, waar de groenten open en bloot op zowel de counter
als op de grond lagen en waar je zelf bouillon op je noedels moest scheppen
waar de iriko sardientjes gewoon nog inzaten. (Dat bedoelde hij dus!) De oudere
kokkin met het bloemetjesschortje maakte zich zorgen. “Eet zij dat wel?” vroeg
zij, met de ogen van mij afgewend. “Maar natuurlijk, ze is er gek op! En ze is
Japanser dan wij!” viel de buschauffeur voor mij in. Toen zij doorhad dat ik
ook Japans sprak liet ze mij een van haar schatten zien. Een mooie tekening van
haar en het ‘restaurant’ in gewassen inkt. Hij zou zijn gemaakt door ene Tim
uit Amsterdam die (indrukwekkend genoeg!) de 88 tempels van Shikoku te voet zou
zijn afgegaan. Iets om trots op te zijn.
Na al dit spartaanse noedelavontuur volgde een onverwachts mooi
udonrestaurant, waarvan de voorgevel eerder deed denken aan een schattig café
waar je taartjes kunt kopen. Het bleek een trendy restaurantje te zijn waar
innovatieve (vreemde?) udongerechten werden bereid door jonge mensen die
daarnaast ook nog samenwerken met de lokale boeren. Zo verkochten zij naast
udon ook blueberry jam van vergeoogste bessen. Ook kreeg ik bij mijn kommetje
udon gratis stukjes gestoofde daikon van ‘mensen uit de buurt’. “Pas op, er
kunnen harde stukjes in zitten!” waarschuwden zij. De diepe sojasaussmaak in deze
sappige groente was een mooie herinnering voor mijn smaakpapillen. De zeer
stevige bite van de udon zorgden voor goed kauwen en dus voor goede gesprekken.
Ik vertelde dat het gerecht dat zij had genomen mij erg deed denken aan mijn
studie in Yamagata. De geur van de soep waar konnyaku gelei, dorpsaardappeltjes
en rundvlees in dreven deed mij sterk denken aan die dag bij de rivier toen ik
met mijn vrienden samen ‘imoni’ maakte, een stoofpot die in de herfst buiten de
deur wordt gegeten. Mijn vriendin lachtte. “Dat is toch met zo’n enorme pan
waar met een hijskraan in wordt geroerd?” Jawel, dat ik bij die eigengereide
mensen uit Yamagata mocht kennismaken met dit prachtige land is nog steeds een
onvervangbare herinnering… Inmiddels
zijn er sindsdien alweer 8 jaren verstreken. De tijd gaat voorbij, en ja, de tijd is het
allerdierbaarste.
Eenmaal weer in de auto raakte de buschauffeur in een
melancholische bui. “Het leven gaat om lijden en genieten… maar mensen hebben
helaas de neiging om zich alleen maar op het lijden te richten in de hoop dat
dit ooit tot geluk zal leiden” zei hij. Later, toen we rond het middaguur
eenmaal waren uitgestapt bij de volgende bestemming, en wij met onze stokjes
het eigeel roerden door de zachte noedels van onze volgende kom, ging hij verder. “Het is alweer 3 jaar geleden
sinds zij er niet meer is. Ze mankeerde niks, was nooit ziek en opeens zakte
zij in elkaar. Wij hebben haar nooit gedag kunnen zeggen.” Geschokt keken wij
hem aan en luisterden naar deze onthulling. “Het kan zo voorbij zijn. Daarom
moeten wij niet alleen lijden. Wij moeten mooie dingen zien, lekkere dingen
eten, van het leven genieten.” Wij knikten, konden het er alleen maar mee eens
zijn. En opeens begrepen wij de persoon beter die achter het stuur zat, die
door anderen vreemd werd gevonden, soms zelfs met de nek werd aangekeken. En de
persoon die ons nu de mooiste plekken van Kagawa wilde laten zien. Samen
beklommen we de mythische Shiudeyama. Eerst een stukje met de auto de berg op,
en het laatste stukje te voet. Een adembenemend uitzicht bracht ons tot
zwijgen. In een lichte nevel die werd gebroken door het zonlicht, lagen de
eilanden van mijn verhalen: Ibukijima, Takamijima, Shamijima, en daarginds,
heel ver weg Naoshima.
… Waar ben ik? Is dit nog wel Naoshima? De gele pompoen
staat onaangeroerd op de pier in het zonnetje. Niemand die hem meer lastigvalt.
Ik kijk om me heen. Het gras is prachtig groen geworden. Onder de pijnbomen
loop ik door de schaduw richting het bankje met uitzicht op zee. Een vast
rustpunt van mijn dagelijkse wandeling sinds alles anders zou worden. Even doe
ik mijn hoedje af en schuif ik het lapje indigogekleurde stof richting mijn
kin. Heerlijk om even de lucht in te ademen. Het ruikt zout. Na een slokje
water vervolg ik mijn wandeling. In de verte zie ik iemand aankomen. Bekende
ogen. En even duurt het voordat ze de mijne herkent. “O, jij bent het Lisanne!
Een wandeling?” Het lapje stof met bootjes erop beweegt terwijl ze praat. “Ja,
vandaag houd ik het alleen op een wandeling. Kom jij net terug van de lounge?” “Ja,
ook vandaag heb ik weer gewerkt aan mijn droogbloemen. Trouwens…” begon ze
samenzweerderig. “Ik wil iets bedenken waarin wij ze kunnen gebruiken, als
cadeautje voor de gasten. Als jij misschien een leuk idee hebt wat wij hier nog
niet hebben gedaan, al is het maar bijvoorbeeld iets van je basisschooltijd in
Nederland, kun je het me dan laten weten?” Haar enthousiasme maakt me vrolijk.
Ik moest er even over nadenken, maar zei dat ik haar snel weer op Line zou
berichten. “Jaa ne!” zwaaide ze. Doei. En weg was ze.
Berichtjes schrijven aan vrienden. Foto’s en tekeningen
uitwisselen. Kletsen met familie. Het voelt alsof iedereen even naast mijn
bureau staat. Ik kijk op van de computer. Door de vitragegordijnen maken de
zonnestralen mooie golfjes maken op de houten vloer. Voor het raam dansen
steeds twee zwaluwen door de lucht. Soms kijk ik even naar ze, als de kleine
blauwe vogeltjes op de elektriciteitsdraden rusten. En dan dwalen mijn
gedachten af. Hoe lang zal het zo blijven? Zullen we ooit weer aan het werk
kunnen? En hoe lang zal Naoshima nog gespaard blijven? Onzekerheid kan je onrustig
maken. Het idee dat eigenlijk niks zeker is kan je dan vreemd genoeg weer rustig maken.
Elke dag is er één en elke dag is belangrijk. En ook morgen zullen we weer
wandelen en iets nieuws ontdekken.


