De laatste herinnering die je hebt aan een plek blijft je het meeste bij. En deze keer was het ook zo. Hun breed lachende gezichten vol zomersproeten. In felrode, veel te grote overalls zwaaiden ons uit, met de armen uitgestrekt in de lucht. Twee mensfiguurtjes die opeens zo klein leken vanaf de boot. Op een grof geschapen betonnen platform, omringd door kolkende golven met op de achtergrond de perfecte driehoekige berg waar ik me bij aankomst op dit eiland al over verbaasd had. De enorme driehoek werd steeds kleiner naarmate de boot, met ons op het achterdek nog opgegaan in het moment van afscheid zich steeds verder van het eiland terugtrok. De inmiddels zo kleine armpjes van de rode figuurtjes gingen nog steeds heen en weer, totdat wij voor hen uit het zicht verdwenen waren. Onze ogen waren nog altijd gericht op de vorm van Takamijima, het eiland waar wij, de vier vrijwilligers, samen hadden doorgebracht om te helpen met de voorbereidingen voor de Triennale. Vooral omdat de boot maar rechtdoor bleef varen en de vorm van het eiland maar in stand bleef, ervoer ik 'het verwijderd raken' van deze plek sterker dan anders. Het brede witte spoor dat de boot achterliet en ons nog een beetje ermee verbond. Het schuim dat opspatte tegen mijn gezicht en haren die wapperden in de wind. Nog steeds gefascineerd door die typische vorm van dat eiland, waar je zo hoog op uit kon kijken...
"Ik hoef jou ook niks uit te leggen!" riep mevrouw Yagyu trots uit dat ik mijn huiswerk had gedaan. "Het klopt inderdaad dat Takamijima (Hoog gezien eiland) zijn naam te danken heeft aan zijn vorm, dat zul je zo zien..." Ze was één van de spraakmakende figuren van de vrijwilligersploeg waar ik zojuist in was beland. Op een kleine, moeizaam te bereiken pier in een haven vol schepen en industrie in een dorpje ten westen van Takamatsu stonden wij s'ochtends vroeg vol verhalen en gesprekken te wachten op de boot. Ik bedankte de aardige meneer van de ploeg voor het gratis bootkaartje dat ik kreeg, ondanks dat ik mij niet officieel had aangemeld via hun website. En kwam dan de extra snelle speedboot, die speciaal voor het festival was ingezet. Daar gingen we dan! De enthousiaste gesprekken bleven doorgaan aan boord: over waar we vandaan kwamen, over waar zij allemaal wel niet aan hadden meegewerkt tijdens vorige Setouchi Triennales , en wat ons nu uiteindelijk hier bracht... Was het onze liefde voor kunst? Een liefde voor dit soort evenementen dat zoveel verschillende mensen bij elkaar brengt? Hun gedetailleerde beschrijvingen over verschillende werken van beroemde kunstenaars en evenementen waar ik al zoveel over had gelezen lieten mijn hart sneller kloppen en gaven een gevoel van verbondenheid. Wat gaaf om hier nu deel van uit te kunnen maken! Ondertussen doemde in de verte steeds groter onze bestemming op.
De tijd leek voorbij gevolgen te zijn toen wij aankwamen op Takamijima, een eilandje van slechts 20 inwoners in het westen van Kagawa prefectuur. Een lichte spanning kwam in mij op. "Ik denk dat ze vandaag weer in het rood gekleed is!" zei een mannelijke vrijwilliger, die duidelijk op haar was gesteld. En het klopte. De kunstenares kwam aan in een rode werkoutfit, een handdoekje om het hoofd geknoopt. Een begroeting en een buiging. Even voorstellen. En al gauw daarna werd er voor ons gezorgd. Een van de vrijwilligsters die hier al langer had doorgebracht liet mij zien waar we vanavond zouden slapen: op de tweede verdieping van een oud pakhuis in de vissershaven. De ruimte rondom dit stoere huis trok mijn aandacht: vol met wasgoed, onbekende geoogste groenten en enorme zeeschelpen die als een kluwen aan een dik touw met elkaar waren verbonden. "Als je verdwaald bent, let dan op de schelpen." zei ze. We maakten een wandeling over het eiland, met vele trappen de berg op. Langs nauwe steegjes met houten huizen, akkertjes en bamboebossen, kwamen we aan bij een oud houten huis. De plek waar zij haar werk maakte. We klommen over een stenen trap omgeven door aarden muren die wild begroeid waren met klimop. Door een houten poort kwamen we in de binnenplaats. In de tuin ontmoette ik de vrijwilligers weer, die druk bezig waren met het sjouwen van zakken en op hun hurken aan het werk waren. In het huis troffen we elkaar weer. De kunstenares was druk in gesprek met de handwerklieden over wat de volgende stap zal zijn voor haar werk genaamd 'De dingen die van binnen bestaan'.
Over de rand keek ik naar de ruimte, en zag een structuur zoals ik in traditionele Japanse huizen nog niet eerder had gezien. Een grote doma (aardevloer) met een enorme verhoging tussen de ingang en de omoya (hoofdruimte). Er was een trap nodig om veilig in de woonruimte te belanden, een donkere ruimte zonder vloer waarvan de ramen aan de voorkant waren afgeschermd door grote doeken. Het waren schilderijen. Een open raampje aan de achterkant van het huis zorgde voor een beetje licht in de ruimte, waardoor een maanlicht-achtige voorstelling te zien was. Het zag eruit alsof ze met een penseel tegen het doek had gespat, zo diffuus en toevallig leken de inktvlekken verdeeld te zijn... Toen ik wat beter om mij heen keek, leek dit werkelijk zo te zijn. In het begin viel het me nog niet op, maar op het donkere hout van de muren en kozijnen van het huis zag ik dezelfde inktvlekjes. Steeds meer vragen kwamen in mij op... Ondertussen legde de kunstenares met behulp van een kartonnen doos uit hoe zij het proces en het resultaat voor zich zag. "Aan iedere kant zul je schilderijen zien en de hoeken van de ruimte zullen rond toelopen door kiezelstenen die wij op het eiland verzameld hebben op te stapelen en in het midden komt er een groot sculptuur van stenen..." Hoewel ze poogde om onze fantasie te prikkelen, zag ik het nog niet helemaal voor me. Om de schilderijen aan de muren te kunnen bevestigen, moesten er houten latten aan weerszijden worden vastgemaakt. Er kwamen spijkers in het hout. Op het laatst legden we alle panelen bij elkaar en moesten we deze met de tekening richting de muur tegen de muur aanzetten. Een zogenaamde 'blue sheet', een kleed dat meestal wordt gebruikt bij het picknicken diende deze keer als bescherming van de schilderijen... er moesten immers maatregelen worden genomen tegen de tyfoon van volgende week. Algauw begreep ik ook waarom de ramen waren dichtgeplakt en de functie van de zware zandzakken aan de voorkant van het huis. Ik hoopte vurig dat dit fragiele huisje en alles dat hier gemaakt was er veilig doorheen zou komen...
Dit kleine huisje op de top van een berg. Met een ruime binnentuin en prachtig uitzicht op zee. Wie zouden hier vroeger gewoond hebben? En waar zouden de bewoners heen zijn gegaan? Een ding is zeker: aan hun verhuizing, en het verplaatsen van de spullen die bij hun volle levens hoorden, hadden zij niet al te veel tijd besteed. Tijdens een middagmaaltijd van koude somennoedels en pas geoogste tomaatjes kregen wij choquerende foto's te zien van de staat waarin de kunstenares het huis aantrof. "Ik kon het niet geloven... zoveel spullen waarvan ik niet wist wat ik ermee moest. Daarbij was het huis in een slechte staat en had ik niet al te veel vertrouwen." Kijkend naar de volgestouwde rommelige ruimtes op het schermpje van haar telefoon was het des te meer bewonderenswaardig hoe zij het voor elkaar had gekregen om hiervan zoiets moois te maken. "Maar ik zou dit werk nooit in mijn eentje kunnen doen..." is iets wat zij steeds weer benadrukte. En misschien was dat juist zo mooi aan haar werk. Dat we er allemaal, hoe klein en onbetekenend onze rollen leken, deel leken uit te maken van het geheel. Als een van de kiezelsteentjes in de grote berg die de kamer zou vullen.
"Kijk uit dat je geen last van je rug krijgt meisje, laat mij dat doen!" riep een oudere mevrouw toen ik een zak kiezels door de tuin sjouwde. Wij verdeelden de steentjes van het strand van Takamijima in verschillende maten en vormen, zodat deze tijdens het bouwen van de toren op een makkelijke manier konden worden toegepast. "Dit hartje mag je hebben" zei ze. Het hartsteentje zit nog steeds in m'n tas. Ik genoot en leerde van de gesprekken van de vrijwilligers, en van hun enthousiasme. Toen ik vragend keek naar de inktspetters op de houten muren van het huis, kreeg ik te horen dat de kunstenares het beter vond om het werk in het huis zelf te maken, op de plek waar het uiteindelijk zou worden tentoongesteld. Als je eenmaal op de plek zelf bent voelt immers alles anders... op deze manier krijgen de schilderijen werkelijk een connectie met deze plek. De kunstenares zelf was druk in gesprek met de handwerklieden over hoe de ruimte moest worden. Met bewondering keken wij toe hoe deze 'amateurs' materialen doormidden zaagden en een trap bouwen die het betreden van de hoge ruimte wat veiliger maakten.
Ondertussen gingen wij op in het meditatieve werk en luisterde ik naar een stoer verhaal over een vrijwilligster die voor de beroemde Christian Boltanski het zogenaamde 'fluisterbos' had gemaakt in Teshima en met een ontroerde uitdrukking vertelde op het moment waarop hij zichtbaar blij was met het resultaat en zei dat de vele furin belletjes die dansten in de wind precies beantwoordden aan het beeld van het werk dat hij in zijn hoofd had. "Soms zal het zwaar zijn, maar hier kun je ervaringen opdoen die je nergens kunt, dingen over kunst te weten komen die je je anders niet had kunnen voorstellen en met trots kunt terugkijken op een werk waar je zelf aan hebt meegewerkt." Op een mooie manier bracht zij onder woorden waarom ik besloot om op mijn vrije dagen af te reizen naar dit eiland, waarom ik toch besloot om contact op te nemen en te vragen of ik misschien ook mocht meehelpen. Toen het begon te schemeren en het werk er eenmaal opzat voor vandaag namen wij samen een groepsfoto voor het prachtige uitzicht op de zee vanaf de tuin. Gevoelens van overwinning welden in mij op. Bezweet maar lachend en voldaan riepen we "Yay!" voor de camera. En nu was het etenstijd...
In de woonkamer van een hooggelegen traditioneel huis. Door een klein raampje in een hoekje hadden we een prachtig uitzicht op zee. Stuk voor stuk brachten we iets mee uit de keuken en zetten wij deze op de langwerpige, lage tafel in de ruimte: koude graanthee, glaasjes, bordjes. Geïmproviseerd maakten we vele kommetjes instant misosoep met gekookt water. En toen ging de koelkast open... en kwam er een onverwacht feestmaal tevoorschijn. De misosoep op tafel werd vergezeld met doosjes mooi aangeklede sushi in vierkante en ronde vormen, met allerlei soorten vis zoals zalm, tonijn, baars en anago (aal) en ook de tomaatjes en komkommers uit de moestuin mochten dit keer niet ontbreken. Smullend van alles voelde ik een moment een schuldgevoel opwellen: ik had maar één dag meegewerkt, mocht ik dit wel allemaal hebben? "Jullie eten toch zeker niet elke dag zo luxe?" vroeg ik voorzichtig. "O jawel hoor, we krijgen altijd heel veel van de mensen van het eiland, wij hoeven eigenlijk niks te kopen," zei een van de jongere vrijwilligers die net als ik die avond was achtergebleven op het eiland. We konden dus niets anders doen dan er samen van genieten... en dat deden we! Van het eten, van de gesprekken, van de nazomernacht. Er waaide een koele bries door het huis. De lucht door het raam veranderde langzaam van roze, paars naar donkerblauw. In de binnentuin keken we naar het felle licht van een bijna volle maan. Toen kwamen er een heleboel felgekleurde vuurwerkstokjes tevoorschijn. Met vonkjes en sterretjes, 'bloemen van vuur' zoals ze in het Japans genoemd worden, versierden we de binnentuin van het huis. En als een sterretje van een van ons dreigde te doven, staken wij deze aan met een sterretje van iemand anders. De lachende gezichten van nieuwe vrienden in het flauw gekleurde licht bleven mij bij. En toen kwam het laatste stokje... fleurige bloemen bloeide in de nacht en doofden zachtjes uit. Toen was het voorbij.
De volgende dag genoten we van wandelingen op de stranden van Takamijima. Het hagelwitte zand voelde zacht aan mijn voeten. Tijdens obon, de dagen in het jaar waarop overleden dierbaren terugkomen naar deze wereld, lieten mensen van het eiland felgekleurde bloemen achter op een begraafplaats aan zee. Vredige beeldjes en stenen in het zachte zand. Daar werden zij die vroeger op dit eiland woonden herdacht, daar kwamen zij misschien weer even tot leven. Ik dacht terug aan de vraag die ik stelde, toen wij met zijn tweëen in de ruimte stonden van haar kunstwerk. "Wat zijn voor jou 'de dingen die vanbinnen bestaan?'". Ze dacht even na voor ze antwoordde. "Op het eiland kunnen we veel dingen vinden. Maar voor mij gaat het niet om de materiële dingen die hier zijn. Het gaat om de dingen die wij hier voelen, die wij als mensen allemaal met elkaar gemeen hebben." Veel dingen zijn hier niet te zien. De verhalen van mensen die al lang geleden vertrokken zijn. Sporen van hun aanwezigheid in de natuur en de verlaten dorpjes. En nu zijn wij hier. Wij zijn hier samen geweest, hebben samen gewerkt, gezwoegd en gelachen. Voor ons is deze plek een bron van energie... die binnenin ons zal blijven leven, bedacht ik me, toen het eilandje, en zij die ons uitzwaaiden, steeds kleiner werden aan de horizon.
Bloemen in de lucht. Steeds mooier en groter bloeien ze naarmate dat ze hoger in de lucht raken. Steeds komt er een einde aan. En dan als je denkt dat het voorbij is begint er weer iets nieuws. Het was een onverwachts cadeautje na een dag werken in het Museum, een gebouw dat op een van de hoogste bergen ligt van Naoshima. "Zij daar beneden willen allemaal zo dichtbij mogelijk komen... maar een betere staplaats dan dit kun je niet krijgen!" lachte een collega. Ik was duidelijk niet de enige die na werk met open mond stond te kijken naar dit onverwachte schouwspel van vuurwerk in allerlei verschillende kleuren en vormen die ik nog nooit had gezien. "Een regenboog! Een ster! Een watermeloen!" En ja, ook de watermeloen zag er behoorlijk realistisch uit, met roze vruchtvlees en pitjes in het midden. Vanaf de berg hadden we een mooi overzicht op de vormen die boven de zee uitschoten, vanaf het platvorm in zee. Ook zagen we de gele pompoen liggen die s'avonds felgeel verlicht is en een mensenmassa daar omheen. Iedereen is speciaal naar Naoshima gekomen om het beroemde 'Hi Matsuri' (Vuurfestival) te aanschouwen. Dat is niet niks! En dus was het nu toch wel tijd om de gebeurtenis van dichtbij te bekijken.
Met mijn elektrische fiets roetsjte ik de berg af richting de pompoen, waar ik even afstapte. Een collega die nog druk bezig was met het verkeer regelen sloeg mij gade. "Je bent hier precies op het juiste moment! De finale komt zometeen." Ik stapte af van mijn fiets en kon alleen maar blijven kijken naar de lucht, waar de klappen van het vuurwerk zich herhaalden, maar de abstracte figuren steeds groter werden. Zo groot dat de gehele lucht zich leek te vullen met goud en zilver... Met op de voorgrond de gele pompoen. Met daaromheen alle mensen die samen met mij naar al dit moois keken. Omringd door de koele lucht van een zomer die bijna voorbij was. Dit zijn momenten om nooit te vergeten.
Lichtblauw water met gouden lichtjes erin, glinsterend in het zonlicht. De warme zonnestralen aaien mijn rug op de fiets, mijn haren in de wind. Tussen coulissen van donkere pijnbomen zegt de zee mij gedag. Ik ben vandaag niet alleen op het strandje. Een klein meisje met een bekend gezicht staat met de ogen dicht en een duikbril op de tafel. Haar vader smeert haar in. Onze ogen ontmoeten elkaar. "Hé, hoe gaat het? Waar ben jij geweest?" roept hij spontaan. Het is inderdaad een tijd geleden. Toch is het vreemd dat wij elkaar niet meer hebben gezien tijdens de zomer, terwijl we zo graag op het strand doorbrengen. "Waar is uw vrouw?" vroeg ik, ietwat naar de bekende weg. "Op haar werk! Waar anders?" Antwoordde hij. "Zij is altijd druk in de weer... jij ook toch?" Ik knikte. Zijn stem klonk niet klagelijk. Algauw richtte hij zich weer op zijn dochter. "Ze kan al heel goed zwemmen hoor!" zei hij trots. Er verschijnt een twinkeling in haar bruine ogen. En het volgende moment dribbelt ze richting het water en dan een grote plons.
Terwijl ik in de schaduw van de pijnboom mijn onigiri met zalm zit te eten, kijk ik hoe het paar aan het spelen is in het water. Denk ik terug aan de fijne zomerdagen die ik hier doorbracht, met familie die mij kwam opzoeken, met nieuwe mensen die hier in mijn leven zijn gekomen. Ondertussen zie ik die twee wild spelen in het water, hoe de kleine op de rug van papa geklauterd is en van hem afspringt als een springplank. Het is een vrolijk gezicht. Echter is het nu al 1 september... het einde van het zwemseizoen in Japan. Verder is er dan ook, ondanks de perfecte weersomstandigheden, niemand meer op het strand te bekennen. Behalve wij! Bij mijn eerste stappen in het water - de nog warme maar toch zo verfrissende temperatuur, de perfecte diepte om in te zwemmen, het ontbreken van bossen van zeewier waar ik in augustus nog door werd gehinderd, dat de eerste dag na 'het einde van het zwemseizoen' ironisch genoeg de meest perfect zwemdag ooit was.
Ik kon geen genoeg krijgen van het gewichtloze gevoel in het koele water, de zachtere najaarszon in mijn gezicht, de capriolen van die twee waterratten in de verte. Er verscheen een glimlach op mijn gezicht. Opeens werd ik in het verleden gegooid. Mijn eerste duik van het jaar in het felle blauwe water, lange zomervakanties. Een glimlach die ik bij het zweven op de golven niet kon onderdrukken - mijn vader die lachend komt aanlopen. "When the lady smiles!" zingt hij. Mijn broertje die op de rug van vader klimt. Zijn dunne lange beentjes in de lucht terwijl hij door de golven wordt meegesleurd en kirrend boordevol zand de branding op rolt. Een weemoedig gevoel krijg ik, totdat de twee figuurtjes in de verte dichterbij komen en ik terug in het heden beland. "Ze is teleurgesteld over het feit dat het vlot en de springplank zijn ontmanteld. Daarom wil ze steeds van mij afspringen!" zei hij klagelijk. En dat deed ze ook... ze had een ongekende energie en kon enorm goed zwemmen voor een meisje van vijf. Ondertussen was er een zwemster bijgekomen. Een oudere Française met een zeer professioneel uitziend zwempak en badmuts knikt ons toe en zwemt vervolgens duizend baantjes de borstcrawl van de rotsen aan de ene kant van de kust tot aan de gele pompoen.
Er komt een gezin aangewandeld. Moeder en vader gekleed in lange broek en jurk, keurig met jasje aan en hoedje op. Boven hun hoofden een parasol tegen het zonlicht. Hun schattige dochtertje loopt naar het water toe en kijkt naar het ravottende meisje in het water. Mama en papa nemen het kindje met het hoedje op beschermend bij de hand en lopen met haar langs de waterkant. Tot aan het einde van de rotsen, waar je naar mijn herinnering, de mooiste schelpen en stenen kunt vinden. Goed gekleed naar het seizoen dat nu is gekomen... het is bijna herfst! Hoewel ik van tradities hou, voel ik nu toch meer voor onze positie van waterratten. (De rebellen? De spelbrekers?) En voel ik me verbonden met het meisje in zee, dat we allebei bevoorrecht zijn met lieve, grappige ouders die de basis zijn voor onze mooie herinneringen voor later. Wij wonen op een eiland, kunnen doen wat we willen, wij zijn pas echt vrij! Hoe het ook zij, dit waren dan een paar mooie herinneringen aan de zomer. En die is nu weer voorbij.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten