Het einde van de Triennale was nabij. En juist daarom was
het tijd voor nog één laatste reisje. Een beetje weemoedig keek ik uit het
raam, de warme zonnestralen over mij heen. Deze keer naar het eiland dat het
verste van Naoshima vandaan lag. “Zal ik dat nog wel doen?” vroeg ik mij af.
Maar de Setouchi Triennale maak je als echte ‘eilander’ maar een keer mee… dus
ja! En nu vertrok ik opnieuw met de sneltrein vanaf Takamatsu, deze keer
richting de plaats Kannon-ji, aan de andere kant van Kagawa-prefectuur.
Lieflijke landschappen van akkertjes en ronde groene bergen maakten langzaam
plaats voor het beton en staal van de havenplaatsen. En daarachter begon weer
het grote blauw met de eilanden. De zee is nooit ver weg hier, en om de een of
andere reden voelt dat als een geruststelling.
Er is altijd iets dat ons en alles met elkaar verbindt. Zijn
het dezelfde doelen en dezelfde verlangens die wij als mensen delen? Toen de
kleine witte boot ‘New Ibuki’ de haven naderde, ervoer ik eenzelfde golf van
opwinding om mij heen. Opeens had niemand meer aandacht voor de duizend gidsjes,
voor de televisie in het midden van de boot. Mensen gingen opstaan van hun
banken, rondlopen, naar buiten het dek op. Fototoestellen in de aanslag. Foto’s
van rode vuurtorens, zeeweringen met rijen stuurse meeuwen die onze kant op
staren. Maar hun snavels wezen allemaal een andere kant op: richting het
hartvormige eilandje Ibukijima waar wij bijna aan land gingen. Mijn hart ging
sneller kloppen bij het dalen van de brug. Zoals altijd stond ik vooraan bij de
ingang van de boot, maar ik voelde meer mensen met eenzelfde enthousiasme naar
voren dringen. En toen was het tijd om aan land te gaan. Een felblauwe poort en
wapperende vlaggen verwelkomden ons op dit eiland, zij leken op te gaan in het
blauw van de hemel.
En al gauw kwam ik, snelwandelend met de route van mijn
reisgidsje in het achterhoofd, achter bijzondere kenmerken van dit hartjeseiland
dat in geen enkel boekje beschreven stond. Dat je hier bijvoorbeeld, evenals met de
liefde en grotere doelen in het leven, je erg je best moet doen om je
verlangens te verwezelijken. En je zult nooit de enige zijn in deze strijd, wat
minder eenzaam voelt maar anderzijds ook voor ongeruste gevoelens kan zorgen.
Nog nooit in mijn leven had ik tegen zo’n steile helling aan geklauterd. En toch was het pad dat
ik bewandelde netjes verhard. Er lagen schilderachtige, traditionele huizen aan
met mooie grijze dakpannen. Op een gegeven moment voelde ik dat de steile
heuvel steeds vlakker werd en langzamerhand een hoogtepunt bereikte. Ik keek
over mijn schouder. En raakte ontroerd door de schoonheid die ik daar zag. Of
misschien was er niet eens zoveel schoonheid. Het was meer op het moment zelf
dat ik het zo voelde, toen ik daar een prachtig uitzicht zag. Zo hoog. Ik zag de
haven, de boot waar wij vanaf waren gestapt, zo klein. Het blauw van de lucht
leek zo groot en dichtbij. En ik voelde dat vandaag nog zoveel te bieden had.
Het pad liep verder. Er was een open plek waar twee kleine
huisjes stonden. Het waren geen echte huisjes, maar kunstwerkjes gevlochten met riet met een rood dak. Er klonk flauw gezang uit de huisjes in een taal die ik
niet kende. Het gezang was zacht, had
iets lieflijks, het leek te passen bij de sfeer van het vredige eilandje. Een
aantal stappen verder werd het gezang echter overstelpt door een zwaar, ronkend
geluid dat steeds dichter bij kwam. Ik, die rustige eilandjes gewend was zonder
motorverkeer en daardoor op het midden van de weg liep, schrok op en
verplaatste me naar de zijkant. Een oudere man op een luidruchtige brommer ging
mij voorbij. En toen een oudere dame, ook op een brommer met helm op. En nog
één. Vroem, met hoge snelheid crosten zij tegen de steile hellingen op. Even
leek het of ik niet meer op een eiland in Japan was maar ergens in Zuidoost-Azië.
Zou Ibukijima dan misschien een cult hebben van motormuizen? En zou het niet
toevallig zijn dat vooral Zuidoost-Aziatische kunstenaars actief zijn op dit
eiland?
Vele vragen kwamen in mij op tijdens mijn wandeling over dat
stenen pad. En daar liep dan opeens een poes voor mij uit, met een oranje vacht.
Even dreigde ik, evenals mijn mede-eilandbezoekers afgeleid te raken door het
zachte poezenbeest. De jongen die mij de weg wees richting de haven nadat ik
was gestrand op het ietwat eenzame station Kannon-ji zag ik het beestje een aai
over de kop geven. Een knikje met het hoofd en een glimlach als teken van gedag
zeggen. En toen nam hij de benen. Gelijk begreep ik waarom… hij had hetzelfde
doel als ik. Sterker nog, al die mensen die na aankomst van de boot afsnelden,
dezelfde richting uit, hadden hetzelfde doel als ik! Snelwandelend ging ik
verder de heuvel op. Op een straathoek hadden bewoners hun huizen opengesteld
en hadden zij allerlei accesoires gemaakt van oude kimonostofjes tentoongesteld.
Daar tegenover een klein supermarktje, waar grote zakken iriko (gevriesdroogde sardientjes) vooraan in de rekken stonden
uitgestald. Een mevrouw die er werkte wees mij de weg: als je hier rechtdoor
gaat en bij de tempel naar rechts, zul je het snel zien!
Al gauw kwam een zoete geur van wierrook en cederhout mij
tegemoet en torende er een muur boven mij uit van een hoog gelegen tempelgebouw.
Opnieuw hoorde ik het vage gezang, deze keer kwam het uit de richting van een
ander gevlochten rood huisje op paaltjes, dat tegen een stenen muur stond.
Hoewel ik begreep dat het een kunstwerk van de Triennale was, leek het alsof het
gewoon een soort bijgebouwtje was dat de tempel altijd al vergezeld had. De
geur van wierrook ging op een ploteselinge manier over in de zoete geur van
verhitte sojasaus. Hier was het dan: de plek waar de ‘moeders’ van Ibukijima de
beroemde o-bento zouden verkopen met allemaal lokale gerechtjes. Vooral de
woorden ‘beperkte beschikbaarheid’ in het gidsje moet iedereen in het oog zijn
gevallen, bleek toen er al een hele rij stond. Rustig ging ik achteraan staan en gluurde door het raampje de keuken in, waar ik oudere dames druk heen en weer zag lopen.
Het bleek dat Ibukijima in Japan bekend staat als het eiland
waar de hoogste kwaliteit iriko
vandaan komen. Vroeger was het een onmisbaar levensmiddel voor de
eilandbewoners om hen in hun dagelijke portie van mineralen en eiwitten te
kunnen voorzien. De visjes worden volgens een specifiek proces eerst gekookt en
dan direct gevriesdroogd, waardoor zowel de rijke smaak als de voedingsstoffen behouden
blijven. Bovendien zijn de mogelijkheden om ze te bereiden eindeloos. Zo bleek
toen ik, zittend op een gezellig terrasje omgeven door groen, het doosje opende
en mij verbaasde over de vele verschillende gerechtjes waarin deze visjes werden
gebruikt. Als topping in een saladetje, als heerlijke tempura in combinatie met
allerlei groenten zoals aubergine en pompoen. Maar ook als ‘takikomi gohan’,
rijst gekookt in een mix van bouillon, sojasaus en iriko, wat het een rijke
smaak gaf. De visjes waren zout en knapperig van buiten en tot mijn verbazing
vrij zacht vanbinnnen. Ik kon me opeens de verontwaardiging van de mensen op
Ibukijima voorstellen dat deze iriko tegenwoordig in Japan voornamelijk worden
gebruikt om bouillon van te trekken (hoe zonde!).
Zo zat ik daar te smullen, tegelijkertijd te genieten van de
omgeving en de mensen die er waren. Zo zaten er tegenover mij aan het houten
tafeltje twee meisjes, net iets jonger dan ik. Onze ogen ontmoetten elkaar en
we raakten we raakten aan de praat, over de reis, over wat we het lekkerste
vonden van deze bijzondere bento. Bijna zouden we niet doorhebben dat er ook
een aantal andere ogen waren die ons onophoudelijk aanstaarden… Mijn tafelgenootjes
schoten in de lach toen we doorhadden dat we omringd werden door een groepje
hongerige poezen. Natuurlijk werden ze in een keer door iedereen aangehaald en
kregen ze bergen aandacht, maar hun verlangende blik verdween niet. De grote
starende ogen gingen pas toe toen zij een visje werd toegeworpen. Doe het nou
niet, dacht ik… maar een van de meisjes kon het toch niet laten. Geluk moet je
immers delen. Kijkend om mij heen zag ik allerlei gezichten die ik van de boot
kende. Sommigen waren al klaar met eten en stonden op voor een volgend
avontuur. Het was tijd om het eiland verder te verkennen.
Wandelingen door talloze heuvelachtige steegjes. Het dorpje
op het eiland was groter dan ik had verwacht. En wat moet het vroeger levendig
zijn geweest. Bij vele gebouwen zag ik uithangborden van winkels, restaurants
en kapperszaken. Maar als ik door de bestofte ramen naar binnen keek, zag ik enkel
lege ruimtes, soms met een paar vergeelde foto’s en posters aan de muur. Er
waren echter ook dingen op het eiland die niet met het verstrijken van de tijd
verloren zijn gegaan. Het wandelpad kwam uit op een open plek waar vandaan we
prachtig uitzicht hadden op de huisjes, de zee, de golfbrekers en bootjes in de
verte. Er was een klein paviljoen gemaakt van een lichte kleur hout, met
schuifdeuren waar doorheen het zonlicht viel en de afscheiding van de horizon,
tegengesteld aan de verticale lijnen van het paviljoen, op een prachtige manier
tot zijn recht kwam. Het zijn de kunstwerken die mensen hier vandaag maken die
laten zien wat er hier nog wel is, bedacht ik me. Opnieuw kwam er, dribbelend
over de gladde vloer, een poesje op me af met felgroene ogen en een vacht die
in de dezelfde kleur leek te zijn geverfd als de houten planken om hen heen.
Opnieuw leek hij enkel interesse te hebben in het voedsel in de rugzak van een
reisgenote. Ook ik begon honger te krijgen naar meer mooie indrukken.
Er waren hoog gelegen looppaden met huizen aan zee. Er was
een oud huis waar een kunstenaar de muren had ingepakt met zeer verfijnde, maar
bonte borduurwerken. Op andere muren graffiti met motieven van de binnenlandse
zee van Seto en hier en daar wat eccentrieke, abstracte sculpturen in
knalkleuren. Ik had verwacht dat de groep bejaarde dames die op dat moment
binnenkwam misschien een aversie zou hebben tegenover het wat extreme werk in
het traditionele Japanse huis, maar het tegendeel bleek het geval. Met een
brede glimlach wendden ze zich tot mij. “Waar
kom jij vandaan? Mooi is het hè? Wat is kunst toch geweldig!” En wat een
geweldige werken waren er inderdaad, niet alleen binnenin de houten huizen,
maar ook bovenop funderen van huizen die er al lang niet meer stonden. Een
lange stenen trap leidde mij naar een plek vlakbij zee. Daar stuitte ik op een
enorm, trechtervormig bouwwerk gemaakt van dunne, houten latjes die in een
vaste structuur haaks op elkaar waren bevestigd. Maar mijn grootste moment van
verbazing kwam pas toen ik recht voor het werk stond. De binnenkant van het
buisvormige bouwwerk bestond uit duizenden fragmentjes van hele kleine
spiegeltjes die aan elkaar waren geplakt en samen een soort enorme kaleidoscoop
vormden. In het midden van de werk zag ik een groot blauw vlak, het perfecte
blauwe van de zonnige lucht van die dag. De hemel leek verlengd te worden en
zelfs naar ons toe te komen door deze wonderlijke tunnel van spiegeltjes.
Een vrijwilliger legde uit dat op deze open plek vroeger de ‘Debeya’,
oftewel de ‘buitenkamer’ van het eiland stond. 400 jaar geleden stond hier een
huisje waar zwangere vrouwen met elkaar samenleefden in de maand voor en na de
bevalling. Vroeger werd gedacht dat de geboorte een moment van onreinheid was
en daardoor buitenshuis moest plaatsvinden. De kunstenaar Takashi Kuribayashi
nam dit stukje geschiedenis in acht bij het creëeren van de zogenaamde ‘Boom
van Ibuki’, een boom die symbool zou kunnen staan voor deze plek van leven op
het eiland en ook een soort begrenzing zou kunnen vormen tussen ‘geboorte’, ‘leven’
en misschien wel ‘wedergeboorte’. Volgens de kunstenaar is de boom verbonden
met de vele levens van de mensen op Ibukijima.
Maar wie zijn dan nu de mensen van Ibukijima? Bedacht ik me,
terwijl ik mijn weg vervolgde op een stenen pad bovenop een heuvel. Ik keek uit
over een prachtig veldje cosmeabloemen met daarachter de zee. Mijn dagdromen
werd verstoord door zwaar geronk. Ik keek achter me en zag daar een oudere man
op een brommer rijden. Hij werd gadegeslagen door een groepje Chinese meisjes
die hem nawezen. Hij was niet iemand die je snel zou vergeten: lang grijs
haar, een baard, een zonnebril, kleurige kleding en een bandana. Hij haalde mij in en
verdween in de verte. Om de hoek vond ik een wit schoolgebouwtje. In de
klaslokalen keek ik mijn ogen uit, want oude posters, foto’s en kaarten hingen
nog gewoon aan de muur en tussen de tafels en lesmaterialen vond ik opnieuw
mooie rode, gevlochten voorwerpen, deze keer in de vorm van schoenen en dozen.
Ze deden sterk denken aan de huisjes die ik op andere delen van het eiland had
opgemerkt, op de berg en bij de tempel. Er werd een video vertoond waarin de
bewoners van Ibukijima zelf rode gevlochten pakken aantrokken en samen een dans
uitoefenden voor de tempel. Ook maakten we hierbij kennis met het Nederlands-Indische
kunstenaarskoppel Mella Jaarsma en Nindityo Adipurnomo die verantwoordelijk
waren voor al deze kleurige werkjes rondom het eiland. Ook zij waren
geïnspireerd geraakt door een oude foto die ze vonden op Ibukijima: de vorm van
hun ‘huisjes’ zou gebaseerd zijn geweest op de vorm van kleine talismannen in
de vorm van huisjes die vissers met zich meedroegen wanneer zij de zee
opgingen. Misschien zodat zij weer veilig naar hun eigen ‘thuis’
zouden terugkeren?
Hoewel ik geen schipper ben, houd ik me ook graag bezig met
wat mensen beschouwen als ‘huis’ en ‘thuis’. Wat betekent ‘thuis’ voor ons? En
kunnen we niet vele plekken in onze levens hebben die we als ‘thuis’ voelen? Ik
begin steeds meer te geloven dat zoveel plekken waar we geborgenheid en
verbondenheid kunnen ervaren, kunnen beschouwen als iets waar we zelf ook deel
van uitmaken, als een soort ‘gemeenschappelijk thuis’ waar we dezelfde dingen
kunnen ervaren. Ik denk terug aan het moment waar ik samen met een paar andere
dames de lichte binnentuin van de school betrad, waar we samen ons verwonderden
over een prachtig blauwe ‘Parantica sita‘, een reizende vlinder die zich tijdens
dit seizoen soms op Ibukijima laat zien. Het moment dat ik terug richting de
haven liep, waar nog een ander oud gebouw wat tegenwoordig dienst doet als
informatiecentrum, mij in het oog viel waar ik vervolgens met een paar andere
eilandhoppers dubbel heb gelegen om een videospel waarbij je op een levensechte
brommer moet gaan zitten om een ‘sardientje’ te besturen dat door de straatjes
racet van een science fiction-achtig Ibukijima. Nog in de ban van dit parallele
universum, kwam ik vervolgens weer tot de realiteit bij het zien van een mooie
driedimentionale landkaart van het eiland in een ander lokaal. Het was een
lichte ruimte. Op het hartvormige model stonden met vlaggetjes aangegeven wat
er vroeger allemaal op Ibukijima te vinden was. Opeens schrok ik op van de
aanwezigheid van de kleurige meneer van de brommer. Hij begon tegen me te
praten alsof het niet onze eerste ontmoeting was. “In mijn jeugd was er nog van
alles op het eiland! Hier waren winkels, hier was de kapper… maar uiteindelijk
zijn er zoveel mensen weggetrokken. In de jaren 50 woonden wel bijna 5000 mensen! En tegenwoordig nog maar 500.” “Komt
u ook van Ibukijima?” vroeg ik. “Jazeker, ik ben op dit eiland geboren! En ik
ben er trots op!” riep hij uit.
Nadat hij mij uitgebreid had verteld over de start van de
Setouchi Triennale op het eiland en de band die er ontstond tussen het eiland
en verschillende kunstenaars uit Indonesië, raakte mijn aandacht verstoord door
de gedachte dat de tijd gewoon doorging. Ik keek tussendoor subtiel even op m’n
horloge en voelde mijn hart sneller kloppen. Wacht… de laatste boot van de
middag vertrekt al over een kwartier! Ik bedankte hem met een knikje en
excuseerde mij. Zonder m’n veters te strikken duwde ik mijn sneakers aan die
bij de deur stonden en snelde ik mij het gebouw uit, de heuvel af. (En moest
oppassen dat ik die ene geweldig hoge heuvel niet af zou rollen!)
Een melancholische sfeer omringde ons toen we met z’n allen op
het dek stonden van de Ibukijima ferry. Breeduit zwaaiend naar de locals en
vrijwilligers die op de knalblauwe pier ons stonden uit te zwaaien met grote vlaggen. Afscheid nemen vanaf een boot is toch niet te vergeleken met
enige andere vorm van afscheid… de manier waarop we langzaam de haven uitvaren
en alle plekken, gebouwen en alle mensen steeds kleiner worden, steeds verder
weg raken. Of niet? Als een explosie weerklonk er een harde stem over de
golven. En opeens was hij er weer! Over een betonnen, lange zeewering parallel
aan ons schip rende hij, luid roepend en zwaaiend met vlaggen in alle kleuren van de regenboog zei hij ons gedag.
Als een soort dans, een performance. Hij is ook een kunstenaar. Een kunstenaar
van Ibukijima. En met dit laatste schouwspel voor ogen blijft het een heel
bijzonder eiland in onze herinneringen. Al gauw werden we omgeven door niets
anders dan blauw. Ik raakte weer aan de praat met de twee meisjes met wie ik samen
had geluncht en de katten had gevoerd. “Wat vonden jullie het allerleukst op
het eiland?” vroeg ik. Ietwat verlegen giechelden ze. En riepen toen in koor: “De
o-bento!”
Blaadjes in de bergen worden bruin en vallen. De bergen van
Naoshima worden grijs. De lucht koelt af. En op een gegeven moment betreedt die
geur weer mijn neusgaten. Een vorstachtige lucht gemengd met een aroma van
verbrand hout erdoorheen. Hoewel het een geur is die me blij maakt, die me om
de een of andere reden doet denken aan de prachtige witte sneeuwlandschappen
van Yamagata, maakt het intreden van de winter mij niet alleen gelukkig.
Wachtend op de bus, voel ik de snerpende kou langs mijn hals waaien en kan
alleen maar hopen dat keelpijn en verkoudheid uitblijft. Mijn collega, die
evenals ikzelf niet al te stevig gebouwd is, hoor ik hetzelfde denken. “Het
zware seizoen voor ons is weer gekomen, Lisanne” zegt zij ietwat
onheilspellend.
Maar als wij de koude, sneeuwloze winter op Naoshima vanuit
een positief oogpunt zouden kunnen bekijken, is het wel een seizoen van rust.
En met name dit jaar van een extreme rust, een soort dal na de weerzinwekkende
drukte van de Setouchi Triennale, waarbij (extreem gezegd) een soort golven van
mensenmassa’s steeds het museum binnenstroomden. En nu staan we daar weer, te
kijken hoe de automatische deur dichtblijft, hoe de gangen verlaten zijn.
Alleen wij en onze computers. Alleen het beeld van ‘Diego’ van Alberto
Giacometti, tijdens de Trienale omringd, bestaard en belaagd (!) door zowel
kinderen als volwassen. Ook op zijn gezicht meen ik nu een serene uitdrukking
te zien. De Setouchi Triennale was een periode vol avontuur, vol nieuwe
ontdekkingen, reizen en ervaringen waar ik op dit blog nog lang niet alles over
heb kunnen schrijven. De tijd was beperkt, mijn hoofd is vol. Elke dag was druk.
Werkdagen waren druk. Op vrije dagen wilde ik alles zien en beleven. En zo
graag zou ik nu, nadat het voorbij is, alles willen verwerken, zou ik over de Triennale
en de waarden ervan willen schrijven… maar ik kan het nog niet. Nog lang niet
alles is bezonken. "Daarbij ben ik moe. Ontzettend moe!" dacht ik. En toen verscheen er een mailtje in mijn mailbox.
Een uitnodiging. Van een collega die binnenkort een feestje wilde organiseren,
het zogenaamde ‘Bedankt voor jullie harde werk tijdens de Triennale’-partijtje.
De datum stond al vast, evenals de plaats. Net toen ik het rooster wilde pakken
om mijn dienst van die dag te checken, vielen mijn ogen op de woorden “En
aanwezigheid nemen we deze keer niet op! We verwachten namelijk dat jullie er
allemaal zijn!” Dat was ook duidelijk. En zo ging ik na mijn dienst uit mijn
werk door naar Tsutsuji-so, de gemoedelijke kampeerplaats aan zee. Hier ligt
een gebouw met een grote wa-shitsu, een Japanse kamer met tatamimatten wat
ideaal is voor een staand of zittend feestje met grote groepen. Toen ik de
schuifdeur opende zag ik tot mijn verbazing dan ook een volle, levendige
ruimte. Al mijn collega’s hadden zich rondom een lange tafel verzameld waarop
heerlijke lekkernijen te vinden waren. Alle ogen waren opeens gericht op mij. “Lisanne
is er!” Er werd geklapt bij binnenkomst kreeg ik een bijzonder geschenk. Een gouden medaille die ik om kreeg omdat ook ik bij de Setouchi
Triennale had gewonnen. “Gefeliciteerd! Omdat je zoveel verschillende talen
hebt gesproken tijdens het festival!” Ik was vereerd, moest m’n best doen om
niet te blozen bij deze speech voor de ogen van anderen. Gelukkig zag ik, toen
ik om mij heen keek, dat iedereen gewonnen had. Vele stralende gezichten en glimmende
gouden chocolademedailles, sommige half opgepeuzeld. Toen ik ging zitten werd
de luxe sashimi van bonito en zalm naar mij toegeschoven. Ook kreeg ik, tot
mijn vreugde, een kommetje gloeiend hete stoofpot met veel tofu en groenten.
Speciaal voor mij vegetarisch gemaakt. Hoewel de avond zijn nodig gekke
momenten kende (schoenen die verstopt werden zodra je poogde te vertrekken…),
kon ik tijdens dit hele evenement een glimlach niet onderdrukken. Met zo’n
opkikker kunnen we er deze winter weer tegenaan.
Het is bijna lente!
