maandag 3 december 2018

Van de zee naar de bergen


Zomerdagen op het eiland. Een strak blauwe lucht met grote, bergachtige stapelwolken in de verte. De warme lucht en het wilde gezang van de cicades roepen je naar buiten, de fiets op, met de wind mee vervolg je je weg. Het liefst zo snel mogelijk dicht naar het water toe. Daar plof je neer op het strand met een handdoek, een tupperware bakje en een boek dat zich afspeelt aan eenzelfde mooie kustplaats waar je je nu aan bevindt. 'Umi ga mieru ie', 'Het huis aan de zee'. Een boek waar ik op aanraden van een vriendin aan was begonnen, en dat nu na een loom, kabbelend verhaal bijna aan een eind lijkt te komen. Terwijl ik bladzijde driehonderd omsla en mijn hart verwarm aan het frappante weerzien van twee hoofdpersonages op een verborgen strandje ergens in ruraal Japan, kijk ik uit het raam naar de regenachtige lucht. Wat lijkt deze sfeer van het eiland in de zomer opeens ver weg... de herfst is allang aangebroken en inmiddels is het bijna winter. Terwijl ik lees hoe zij tussen de rotsen zoeken naar schelpjes voor het avondeten, moet ik opeens denken aan de krabbetjes die voor mijn voeten weg schoten, en zich diep in het zand begroeven. Ik kwam nauwelijks een bladzijde verder, of ik hoorde een stem van een bekende. "Zullen we dan gelijk gaan zwemmen?"


Na de stukjes watermeloen uit het tupperware bakje te hebben verorberd, is het dan een keer tijd om het water in te duiken en zoveel mogelijk te zwemmen, nu het vloed is, en voordat het donker wordt. "Laten we deze keer zoveel zwemmen als die oude man met de bril!" 'Die oude man met de bril'... inmiddels een legende in de ogen van mij en mijn inmiddels fanatieke mede-zwemster. Laatst verbaasden wij ons over een Fransman met een witte zwembril die minstens een uur onophoudelijk (!) heen en weer zwom tussen de rotspartij aan de linkerkant en de boeien bij de gele pompoen aan de rechterkant. We moesten zijn record nastreven, maar om de een of andere reden lukte dat maar niet. Op je rug liggen dobberen op het gele drijvende vlot was ook fijn, evenals springen van de springplank en mooie schelpen zoeken bij de branding. Er knabbelden kleine grijze visjes aan onze benen. Hier en daar dreven vreemde soorten zeewier, soms paars en roze. "Zouden er ook giftige soorten zeewier bestaan?" We schoten in de lach. "Ik heb nog nooit gehoord van iemand die in het ziekenhuis belandde door zeewier!"



Aan het einde van de dag sloeg de klok van Tsutsuji-so en klonk er een ietwat eenzaam liedje. Het is tijd om naar huis te gaan. Het is voorbij. De zomer is bijna voorbij. En opeens herinnerde ik me weer allerlei momenten van de warme dagen van dit jaar. Mijn lieve familie kwam langs, mijn lieve vrienden kwamen langs. Samen poseerden we bij de gele pompoen die leek op te lichten onder de felle lucht. We gingen het eiland rond met de fiets, en met de bus. In een klein restaurantje proostten we genoten van verse sashimi en onuitputtelijke gesprekken. Ik liet ze allerlei kunstwerken, en allerlei favoriete plekken van het eiland zien. Samen kijken en samen praten over wat je ziet. Het gaat niet enkel om wat je ziet maar ook om met wie je bent. En als je eenmaal met diegenen samen bent met wie je zoveel herinneringen deelt, lijken ook de plekken waar je bent geweest te veranderen en niet meer hetzelfde te zijn.



Een kustplaats bij Uno waar wij een kijkje gingen nemen, deed mij opeens denken aan onze vakanties in Spanje. Samen wandelen aan de boulevard met pijnbomen en oleanders, mooie uitzichten zoeken aan grillige rotspartijen langs zee, middageten op een terrasje aan het strand. En daar zagen we iets nieuws: een aquarium! Langs groepen schoolkinderen liepen wij richting de ingang, toen we verrast werden door een onwaarschijnlijk zeewezen. Een gigantische reuzenzeeschildpad! Hoewel we samen al vele keren naar dierentuinen en aquaria waren geweest, hadden we zo'n grote nog nooit gezien. Binnen het aquarium zagen een bonte verzameling aan tropische vissen, duivelse diepzeevissen, zeeleeuwen en een aantal soorten vissen uit onze eigen binnenlandse zee van Seto. Aanzienlijk minder kleurig, maar toch groot en aanwezig... je realiseert je niet wat er altijd om je heen zwemt. Maar ze zijn er wel altijd.


Mijn nieuwsgierigheid naar zeedieren in al hun vormen was nog niet voorbij... evenals mijn toenemende verlangen om geconfronteerd te worden met nieuw soort uitdrukkingsvormen. "Ik wil graag naar het museum!" En, omdat het nu nog heel even zomer is... wil ik daarbij graag het werk zien van Taniyama Kyoko, een kunstenares die ik voor mijn vertrek naar Japan heb ontmoet en heb beloofd om een bezoekje te nemen aan het openbare zwembad van Takamatsu. Een buitenbad dat enkel in augustus open is en enkel bestaat uit een eenvoudig buitenzwembad, voornamelijk gericht op kinderen met zomervakantie (bleek bij aankomst). Een kleurig zwembad met wildwaterbaan waar kinderen met zwembandjes en ouders zich door laten meevoeren... maar wat zou het kunstwerk nu precies inhouden? "Je moet kijken naar de bodem," zei een mevrouw die donuts verkocht. En toen had ik het pas door: je moet je mee laten voeren door de wildwaterbaan en tegelijkertijd naar de bodem kijken. Op een magische wijze leken de vissen, de schildpadden en de kwallen, tekeningen op de bodem, met je mee te gaan zwemmen zodra je je door de stroming liet meevoeren. Door de beweging van het water kwamen abstracte witte vlakken tot leven.


Later op de dag, in het Takamatsu City Museum, kreeg ik weer het gevoel te zijn aangekomen op de zeebodem. Ik bevond mij in een donkere kamer, omringd door figuren die deden denken aan zeebelletjes. Rustige muziek klonk onder het bewegen, pulseren en vermenigvuldigen van deze figuurtjes. In het midden een soort podium met daarop spullen, dagelijkse gebruiksvoorwerpen, die eruit zagen alsof ze naar de bodem waren gezakt. Een stoel, een tafel, een taiko trommel met een Noh masker erop een oud stuk hout met een gezichtje en een ranma, een houten decoratie kenmerkend voor oude Japanse huizen. Opeens begint de taiko uit zichzelf te trommelen, het ritme voel je diep van binnen. En dan begint er een dialoog tussen deze objecten, die ieder een eigen stem en persoonlijkheid hebben. Er is een verhaal... maar waar het precies om gaat is onzeker. Ineens wordt alles donker en klinkt er een beverige ietwat griezelige stem: "Hier was vroeger mijn huis, het was hier heel mooi..." alsof een oud iemand vertelt over vroeger met een kinderstem. "En nu ga ik zingen!" Een oud volksliedje klinkt door de luidsprekers en de objecten staan er roerloos bij... is het dan voorbij? Maar dan verschijnen er lichtjes die samen een sterrenhemel lijken te vormen. De objecten beginnen weer te bewegen, te dansen in rondjes, alles begint te herleven. Kippenvel.


De mensen en kinderen om mij heen blijven geboeid kijken, totdat het afgelopen is. Dan begint de zaal langzaam leeg te lopen."Ik krijg soms tranen in mijn ogen van dit werk," zei een suppoost, een aardige mevrouw die meer in de diepte leek te weten over dit kunstwerk van Yamashiro Daisuke. "Ik ken de achtergrond van dit werk niet, maar ik ben er ook door geraakt," gaf ik toe. Ze vertelde dat, hoewel de kunstenaar hier nooit direct over gesproken heeft, dit werk geïnterpreteerd zou kunnen worden tegen de achtergrond van de ernstige gevolgen van de grote aardbeving van Tohoku... iets waar ik mij opeens veel bij kon voorstellen. Of het nu concreet met deze ramp te maken had of niet, het leek zeker te gaan over een 'thuis' dat verloren is gegaan, mensen die weg zijn gegaan, spullen die zijn overgebleven... En waar is alles nu? Op de zeebodem?

Een verdwenen Japan. Grote steden, beton, nauwe appartementen waarvan de bewoners elkaar niet kennen. Nee, het boek 'Lost Japan' van Adam Kerr, inmiddels al 20 jaar oud, maakt je niet vrolijk. Generaties mensen en tradities verdwijnen... en daarmee ook traditionele uitzichten. Tenminste..? Met een gevoel van verwondering staarde ik uit het raam en kon ik niet ophouden met het maken van foto's van schilderachtige berglandschappen waar het rood en oranje zich inmiddels vermengde met het groen, vervaagd door het wit van de laaghangende wolken. Met drie vriendinnen reed ik met een auto over een hoog gelegen snelweg tussen de bergen van Okayama. En daar in in het dal, zagen wij diep beneden ons een vallei met akkers en traditionele houten huisjes zover het oog reikte. Een geünificeerde bouwstijl, houten huizen met mooie grijze kawara dakpannen. "Jij houdt van foto's maken van huizen he?" vroeg een vriendin geamuseerd. "Ik wist niet dat er in Japan dit soort uitzichten nog waren..." zei ik net iets te gefascineerd. Ze schoten in de lach. Het kon me niet schelen. Ik had nooit verwacht dat het hier zo mooi zou zijn, en dat je vanaf de snelweg in het noorden van Okayama uitzichten had die zo onwerkelijk schilderachtig waren dat het bijna clichématig werd.




En toen kwam er iets onverwachts. Iets dat brak met het gehele beeld van 'Lost Japan'. "Wat zijn die bruine vlekken tegen die berg?" zei de bestuurster achteloos, inmiddels hongerig van de lange rit. "KOEIEN!!" De rust in de auto werd doorbroken. Jawel, het is geen illusie! Daar zien we een kudde Jersey koeien, een Amerikaans ras die inmiddels kenmerkend zijn voor het Hiruzen gebied van Okayama. "Maniwa - Jersey land" gaf een wegwijsbord aan bij de afrit. De weg leidde naar een vervreemdende plek, een soort vakantieresort met Scandinavisch ogende berghutjes tussen de hoog beboomde bossen. In een schattig houten gebouwtje bij een meer werden tweedehands kleding, grof bruin brood en Moomin stationary verkocht. Toen vervolgde de weg, we werden omringd door felgele ginkobomen, parallel daaraan een grachtje met recreatie-achtig fietspaadjes en daarachter een vlak graslandschap. "Het zal vast ook leuk zijn om hier een eindje te gaan fietsen." Een plotseling gevoel van melancholie voor mijn thuisland welde op. Het was mogelijk om fietsen te huren, maar daar hadden we nu even geen tijd voor... op naar ons einddoel Jersey Land!




En daar was het dan: de boerderij waar we zo graag naartoe wilden. Misschien nog wel mooier dan we ons hadden voorgesteld... we parkeerden aan de voet van een berg, waar we prachtig uitzicht hadden op de vallei, en aan de andere kant de hooglanden waar koeien en paarden graasden. Twee paarden leken goede vriendjes, ze stonden dicht bij elkaar. Ze zullen het wel koud hebben... Vergeleken met Naoshima was het in de bossen aanzienlijk koeler, een frisse winterlucht. Het was een lief gezicht, en ook een mooi moment voor foto's samen. Het prachtige uitzicht werd vervolgd door iets waar ik erg naar uitkeek: velden vol met bloeiende cosmea, mijn favoriete bloem. Breekbaar wuifden de kwetsbare bloemetjes in de wind, samen vormden ze een mooi kleurrijk geheel van paars, roze en wit. Het was mogelijk om langs een pad door de velden heen te lopen, en je op deze manier letterlijk te omringen door een cosmea-hemel. Deze keer konden we er alle vier geen genoeg van krijgen om deze mooie plek en deze mooie dag vast te leggen. "Als ik een dagje vrij ben wil ik ergens naartoe, van het eiland af," vertelde een van hen. "Nieuwe plekken bezoeken. Dan vergeet ik alles." Op reis, van de zee naar de bossen. Een verfrissend gevoel. Ook nu wil ik nieuwe dingen blijven zien, en nog veel meer blijven ontdekken.

woensdag 5 september 2018

Van verre eilanden


Zacht wuivend, gaat de zomer steeds een stukje voorbij

Is dit dan het paradijs? Ik sloot mijn ogen en hoorde enkel de vogels, het zachtjes zoemen van de cicades van de vroege zomer. Voor mij strekte een lichtkleurig strand uit. Hier en daar bedekt met puzzelstukjes van koraal, ieder met een eigen unieke vorm. Ze spoelden aan vanuit een wijde oceaan, die veranderde van donkerblauw naar licht turquoise naarmate dat de zon door de wolken brak. We vermaakten ons met zwemmen door het lauwwarme water, het ontdekken van kleine visjes in de heldere gedeelten, tijdens het beklauteren van de rotspartij langs de kust. Hier verwonderden wij ons over de prachtige vormen en inkepingen in de geërodeerde rotsen, die soms meer weg hadden van stukken hout dan van steen. En natuurlijk was het spannend om dan nog even verder te klauteren, en om de hoek weer nieuwe stukjes kust te ontdekken, waar de stroming sterker werd en geen mensen te bekennen waren... het blijft iets mysterieus hebben: de kust van een klein eilandje midden in de Stille Oceaan. De tropische bossen die aan het strand grenzen met smalle wandelpaden er tussendoor... wat zou daar allemaal leven? Kijkend naar het donkere groen van de aloë vera en ananasbomen, werd ik soms begroet door een vlinder, geel en wit, licht fladderend.



Het was geen onbewoond eiland. Naarmate dat de dag vorderde kwamen er steeds meer zeeliefhebbers naar het Furuzami Beach, om neer te strijken onder gele en blauwe parasols. Een kleine klim over een houten trap naar boven, en je komt bij een klein strandhuisje waar vooral veel aandacht werd besteed aan de verhuur van brillen, zwemvesten tot en met een complete snorkeloutfit. Dit is niet voor niets... Zamami, een van de eilanden van de Kerama archipel, staat onder andere bekend om het prachtige koraal dat langs vele kusten nog steeds te bewonderen is. Hoewel ik geen pro-duiker ben (of eigenlijk gewoon geen held ben) moest ik dit gewoon zien en meemaken! En dus kreeg ik van de goedlachse mevrouw van het strandtentje een bril, een snorkel en een zwemvest aangepast. "Je moet een zwemvest dragen, anders is het gevaarlijk!" Ik stemde daar mee in: veiligheid boven alles (achteraf begreep ik echter dat er nog een andere reden was...) Om een extra gevoel van veiligheid te garanderen kreeg ik ook een rond zwembadje met schattige personages erop. De mevrouw strekte haar armen uit en maakte een duikbeweging. "Je moet het zo vasthouden, dan kun je niet wegdrijven!" Een betere voorbereiding was er niet.

En toen ging het daadwerkelijk beginnen: de zoektocht naar koraal. Eerst was het een uitdaging om onder water te kijken en om tegelijkertijd te ademen. Na een paar gefaalde pogingen met flinke slokken zeewater, kreeg ik uiteindelijk de snorkeltechniek onder de knie. Maar waar was dan nu het koraal? Ik zag tot dan toe enkel een witte zanderige zeebodem. "Je moet daar naartoe zwemmen, daar is superveel te zien!," zei het meisje dat ik herkende uit het guesthouse waar we overnachtten. Ze wees naar een mysterieuze donkerblauwe vlek ergens verderop in de zee. Ik zwom gauw verder en keek naar beneden. En wat ik toen onder het wateroppervlakte zag kon ik bijna niet geloven: een hele nieuwe wereld. Een soort metropool van hoge koraalgebouwen waar kleine visjes in alle kleuren van de regenboog tussendoor zwommen en omheen cirkelden. Ik nam even goed te tijd om het te observeren, om langzaam te beseffen dat de dingen voor mijn ogen echt waren. Ondertussen merkte ik op dat iedere vis een eigen persoonlijkheid had: er waren bange vissen zoals die kleine gele die vooral dicht tegen het koraal (hun huis?) aankropen. Er waren ook ietwat brutale, nieuwsgierige vissen, zoals die paarse die mij de hele tijd in de gaten hield en ook stukjes met mij mee zwom. Ik vond hem interessant en slim, maar eigenlijk ook een beetje eng. Toen opeens bedacht ik: ook als ik niet naar hem had gekeken met deze duikbril, zou hij achtervolgd hebben... deze onderwaterwereld is er gewoon. Er zijn ook dingen die wij niet weten.




En toen ging ik meer lezen over het koraal van Zamami. Hoewel er nu nog veel te zien is, is het koraal vooral bij de toeristische stranden dramatisch afgenomen. De oorzaak is natuurlijk de mens: die onwetend het koraal vertrappen, of juist te nieuwsgierig zijn en het koraal gaan aanraken, te dichtbij komen. Gelukkig hebben ze bij Furuzamami beach maatregelen genomen: zo zijn beschermde stukken koraal afgezet, en moet iedereen verplicht een zwemvest dragen bij het snorkelen. Zo kon ik het koraal veilig van bovenaf bekijken maar niet dichtbij komen, en zo de vissenwereld rustig van boven te observeren. Ik legde het informatieboekje weg, en keek rond, naar foto's van alle bijzondere vissen en vogels op het eiland om me heen. In het strandtentje konden we rustig praten, genieten van een drankje en de koele zeewind die er doorheen waaide. Geuren van lokale sobanoedels en pittige rijstgerechten. Mensen die aan dezelfde houten tafel gingen zitten om te lunchen en even 'pauze' te nemen van het strand. En al gauw maakten we weer praatjes. Met jonge reizigers die even weg wilden uit het dagelijks leven, oude avonturiers die vooral nu veel willen reizen, gezinnen met kinderen, bruingebrande strandliefhebbers... stuk voor stuk eilandfans. "Ik kom elk jaar in Okinawa!" zei een van hen. "En wat is dan je favoriete eiland?" Ik kreeg een antwoord dat ik ergens wel verwachtte.




Zamami is bijzonder. Zamami is een beetje als een vreemde droom. Het beeld van de woest kolkende felblauwe zee, de wildernis eromheen en de kleine mensfiguurtjes ertussen. Het kleine dorpje aan de kust, met dat ene straatje met huisjes. Sommige van hout, sommige van steen of van vergrijsd beton. De onbeholpen, vervaagde tekeningen van stranden en vrolijke walvissen op de golfbrekers. Het vervallen, spookachtige wijkcentrum aan de kade. Hoewel het ieder moment in leek te storten, gaf een blik naar binnen een beeld van vrolijke mensen die druk bezig waren met billboards schilderen. Een wandeling door het smalle straatje, omringd met traditionele huizen met typische omhoog glooiende oranje daken. Muurtjes met daarop kuddes wild grommende, maar toch niet zo angstaanjagende shisa, de bekende beschermleeuwen van Okinawa. Shisa hier en shisa daar... ieder huis, iedere winkel, ieder officieel gebouw heeft een eigen shisa met een uniek design. Over creativiteit gesproken: in het midden van de winkelstraat was er een klein winkeltje, waar een jonge illustratrice uit Kyoto, nu woonachtig op haar droomeiland, een bonte verzameling van souvenirs had getekend en beschilderd. De rijke decoraties en kleurigheid van haar tekeningen ademden de sfeer van Zamami: een plek die kwetsbaar en vergankelijk, en tegelijkertijd vol leven voelt.




We konden blijven ruiken van de zwaar-geparfumeerde, hibiscus-achtige bloemen die overal bloeiden. En dan werden we weer eens aangesproken door een local. Hij gaf ons uitleg over de bloemen en vervolgens over alle lekkere restaurantjes in het dorpje, die wij dan ook dankbaar opvolgden. Het resulteerde in avondjes met grote porties champuru (geroerbakte groenten) en heerlijke tonijn sashimi in gezellige ruimtes waar vooral veel luidruchtig werd gekletst en gelachen. Ook was er ruimte voor spontane gesprekken. Opeens hadden we nieuwe vrienden gemaakt die ons omhelsden bij afscheid, dan werden we weer betrokken bij een bijeenkomst van de zeilcommissie en toen opeens werden we voorgesteld aan de vice-burgemeester van het eiland, een aardige mevrouw. "Kom zeker nog eens terug op Zamami!" zei ze enthousiast. De wandeling terug door het dorpje door de straatjes, de terugkomst in onze knusse tatami kamer. De volgende dag weer genieten van de uitzichten op zee, de mensen die gedag zeggen, het horen van een liedje bij het vallen van een bepaald tijdsstip op de dag. Opeens dacht ik terug aan Naoshima... En dat een eiland al gauw als thuis kan voelen.



En dus voelt het ook een beetje triest om zo'n thuis-achtige plaats weer te verlaten. Echter bracht de boot ons naar een plek waar we nog meer verrassingen en avonturen tegemoet kwamen. Over een oceaan die duizend keer wilder was dan de binnenlandse zee van Seto, werden we over metershoge golven meegevoerd het hoofdeiland van Okinawa. Hier kwamen we aan in Naha, een stad rijk aan kleuren, geuren, excentrieke muziek en unieke architectuur, waarbij de cultuur van Okinawa, zo anders dan het Japanse vasteland, steeds duidelijker in beeld kwam. Opnieuw werden we begroet door talloze shisa en mensen, locals en reizigers. In de gezellige guesthouse maakten we kennis met onze Italiaanse gastvrouw die als langdurig inwoner van Naha al allerlei charmes van de stad heeft leren kennen. "Okinawanen zijn heel open: als je ze dingen vraagt, krijg je vaak hele gesprekken. Je kunt hier veel van mensen leren." Geboeid door haar huis dat vol lag met boeken over Okinawaanse taal, geschiedenis en lessen voor een lang leven (immers, de oudste bevolking van de wereld!), was ik vastbesloten om meer over 'hier' te weten te komen. Na een heerlijk ontbijt van Italiaanse cakejes en zoete Okinawaanse ananas en passievrucht, was het tijd voor een wandeling. Langs een brede boulevard met rijen hoge bomen, door een lange winkelstraat (die in de ochtend nog rustig oogde...), waarbij de oranjerode straatsteentjes ons leidden naar een breed plein met statige gebouwen en daar vlakbij... het station van de monorail!




Het bijzondere voertuig, dat zweefde boven de wegen en kanalen van de stad, bracht ons steeds dieper en hoger het landschap in. Gebouwen tegen steile bergen aangebouwd, met veel verschillende kleuren en vormen, omringd en soms zelfs doordrongen van groen. En toen we eenmaal op het hoogste punt waren aangekomen, vingen we weer een glimp op van die prachtige blauwe zee, in de verte. Op deze hoge berg zouden we kennis maken met het koninkrijk van Ryukyu, en daarmee met de geschiedenis van deze eilanden voordat deze deel gingen uitmaken van Japan. Hoewel ik van tevoren wist dat we een vrij recente reconstructie van het kasteel zouden gaan bekijken (het origineel is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan), raakte ik toch gefascineerd door de schoonheid van 'het oude'. We liepen langs hoge, grove stenen muren het park in, waar we bij een tempeltje langs een mooie, rustige vijver kwamen. Het verweerde grijskleurige houten gebouw en de brug waren inmiddels al 500 jaar oud en de dikke boom daarnaast, zodanig overwoekerd met lianen dat het wel een 'dubbele boom' leek, zal niet veel later gevolgd hebben. Sommigen bidden hier ijverig tot Benzaiten, de godin van wijsheid en 'alles dat stroomt', terwijl een jong stelletje foto's maakten bij de overjarige boom, en dan wijzelf. Dat deze dagen maar voort mogen blijven duren...




"Haisai!" riep de poortwachter ietwat geforceerd. Prachtig gekleed in traditionele Okinawaanse klederdracht groette hij ons in het Okinawaans. Ironisch genoeg was het de eerste keer dat ik 'live' ook maar een woord hoorde van taal, verder hoor je overal Japans. En daar verscheen dan het Shuri kasteel, of de gereconstrueerde versie van wat erover bekend was. Het culturele en politieke centrum van het Ryukyu koninkrijk, met rijke versieringen van bloemen, draken en shisa, ieder zeer nauwkeurig ingevuld met oneindig vele laagjes rood, groen en goudkleurig lakwerk. (Pas bij het kijken van de video in het museum ernaast, kon ik me ècht verbazen over dit eeuwenlange proces!) En dan was er nog de tempelwachter die keek hoe wij dit alles aanschouwden. Hij wees de verschillende kenmerken aan: "De vorm van de trap is Japans, de versieringen met draken zijn Chinees, en de vorm van het dak en de twee zuilen met de drakenkoppen zijn typisch Ryukyu." De gebouwen leken inderdaad een mengeling te zijn van allerlei bouwstijlen uit verschillende landen, en ook nu kun je nog de 'internationaalheid' van het centraal gelegen Okinawa voelen. Om je heen hoorde je allerlei talen. Taiwanese reizigers probeerden de kanji op een oude bel te ontcijferen, maar dan in hun eigen taal, wat leidde tot grappige veronderstellingen. En toen opeens, op een prent waarop de haven van Naha van vroeger te zien was, zagen we ook enkele schepen met bekende vlaggen van rood, wit, blauw.




In de 'Kokusai dori' (de 'internationale' winkelstraat) van Naha, ervoeren we opnieuw de hedendaagse versie van de kleurrijke Okinawaanse cultuur. Kleding met veel kleurgradaties en bloempatronen, traditioneel aardewerk in de kleuren aardebruin en helderblauw, winkels waar duizenden grote en kleine shisa's stonden uitgestald (een beetje eng!), live muziek restaurant waar mensen ongegeneerd stonden te dansen en te klappen, Amerikaans ogende koffiehuisjes, en in de zijstraten eindeloos veel winkeltjes waar lokale producten werden verkocht. Stapeltjes mini-ananassen ter grootte van je handpalm, stapeltjes zwarte suiker, stapeltjes manju. En toen ontdekten we een aquarium met merkwaardige zeedieren... felblauwe vissen en een kreeft zonder scharen met een vreemde hartjesvormige neus.

Inmiddels terug in Naoshima, uitkijkend naar de rustige grijsblauwe zee van Seto, luisterde ik half naar een verhaal van de bekende 'opa' van het eiland. "De kreeften van Ise hebben de naam, maar die stellen niks voor bij de zogenaamde 'cicaden kreeft'!" vertelde hij geanimeerd. Ik keek op en zag hoe hij een eilandgenoot foto's liet zien van een kreeft die mij zeer bekend voorkwam... opeens werd ik teruggetrokken in mijn herinneringen, naar dat eiland, naar dat moment, naar dat aquarium. En de jaloerse gezichten van voorbijgangers bij het zien van de gelukkige personen die hem mochten verorberen. "De lekkerste kreeft van de wereld komt alleen voor in Okinawa!" riep hij uit. "Dat klopt, dat weet ik!!" Ik sprong op, achter mijn computer vandaan. Ik schrok van m'n eigen reactie, van de levendige herinnering die Okinawa in mij achterliet, en zich opnieuw manifesteerde in Naoshima. Het eiland waar mensen hun tuintjes niet alleen met Kusama-pompoenen en kikkers gemaakt van oude zeeboeien decoreren.... ook ontdek ik hier en daar een verdwaalde shisa, en dan vraag ik me af uit welk 'ver eiland' hij dan weer vandaan komt.



Fietsend door de bergen richting het haventje kijk ik mijn ogen uit naar de wuivende oranjegele bloemen, zo kenmerkend voor de vroege zomer van Naoshima. "Oorspronkelijk waren deze bloemen hier nog niet, deze zijn komen 'overwaaien'. Ze lijken misschien op cosmea, maar zijn eigenlijk familie van de kiku (Japanse chrysant)," vertelde een vriendin en bloemenkenner. De vrolijk gekleurde bloemen zijn overal, ze groeien zelfs op plekken waar het eigenlijk niet mogelijk is. Tegen hoge bergen aan, op kale stukken grond, door wrakken van oude bootjes op de oever heen. En toen maakte de blauwe lucht opeens plaats voor donkere wolken, het regenseizoen was begonnen. Dagenlang binnen doorbrengen met regen tikkend op de ruiten. Ondertussen lagen het strand en de kunstwerken er eenzaam bij, de gele pompoen gereflecteerd in een grote waterplas. Gelukkig kwam er, na veel zorgen hoe het landschap er na afloop erbij zou liggen, weer een einde aan. De zon begon te schijnen en aan de waterkant zag ik zowaar nog enkele oranje bloemen, echte doorzetters, die al de zware regenval hadden overleefd. De temperatuur van het water werd aangenaam, en mensen waagden zich weer in het zeewater. De cicaden in de bomen begonnen met zingen, en hun lied zou nog wel even voortduren...

dinsdag 24 april 2018

Geluiden van de lente




Hoor ik daar een vaag gegiechel in de verte… de veranderende kleuren om mij heen doen mij denken aan het moment dat ik hier voor het eerst kwam. Ik kijk naar boven naar de klimop aan het plafond die zo lang bruin is geweest en nu eindelijk weer een beetje groene blaadjes begint te krijgen. De bergen die voor mij uitrijzen worden belicht met de zon en veranderen in een zee van lichtpaars en roze. De bergazaleas van Naoshima zijn terug. Ook beginnen op verschillende plekken de sakura weer te bloeien: grote, indrukwekkende bomen bij de basisschool van Naoshima en op de top van de berg bij de resten van het oude kasteel Takahara. Vergeleken met deze oude bomen zijn de sakura in het zogenaamde ‘kersenbloesemdoolhof’ van Ando nog maar dun en kwetsbaar. Toch staan de witte boompjes mooi te bloeien, bescheiden wit zo tussen de felgekleurde bergen. Een ritje met de auto geeft mooie uitzichten op de zee. Bergen die zijn ingekleurd met vlekken van lichtgroen, paars, roze, wit, geel… We hoeven niet meer naar het Chichu Museum om schilderijen van Monet te kunnen zien. En dan herinner ik me de woorden van een echte local van Naoshima: wij noemen dit nu de ‘waraiyama’, ofwel  de ‘lachende bergen’.



Wanneer het landschap na de koude winter weer begint te lachen, gaan er ook op zee weer dingen gebeuren. Zo stuitte ik op een kleine verandering bij aankomst in de Miyanoura haven… of nou ja, een kleine. Eerder was het een hele grote, ietwat dominante verschijning: de gloednieuwe ‘Asahi’ ferry, die ver boven alle andere schepen en gebouwen in de haven uittorende. Ik keek omhoog naar het trotse schip, groot en wit met een opvallend patroon van rode driehoeken. Ik stapte van mijn fiets af om een kijkje te nemen en zag dat er juist een openingsceremonie zou worden gehouden. Natuurlijk mocht iedereen hier deel van uitmaken. Veel mensen begaven zich in, op en rondom de boot en ook werd ik gevraagd om even aan boord te komen.




Bij binnenkomst verbaas ik mij niet alleen om het nieuwe, strakke, dan wel smaakvolle interieur van de ferry, maar ook om de stemming in de ruimte. Het voelde vreemd om er zomaar in te vallen: een concert met gezang en spel van muzikanten op saxofoon en (moderne) accordeonmuziek, omringd door lachende en klappende feestgangers sommige gekleed in zomerse t-shirts, anderen in pak, een dan weer een groep meisjes in feestelijke bont gekleurde kimono. De kinderen renden rond en gingen naar boven, om de zee te zien, om een foto te nemen bij de beelden op het dek. Al gauw kwam ik bekenden tegen en worden er praatjes gemaakt over de ferry en het zeelandschap eromheen. Eilanden rondom Naoshima in de verte vielen in het oog en werden onderwerp van gesprek. Dan hoorde ik schokkende verhalen van eilanders over ‘vroeger’: “Toen ik jong was, zwom ik stiekem naar de andere kant zodra het eb werd. Maar met vloed moet je het niet proberen hoor!”




Nog diep onder de indruk van dit verhaal van waaghalzerij van opa nam ik vervolgens nog even rustig het interieur van het schip in mij op. De nostalgische charmes van de oude ferry, de lage groene bankjes, de vaalgele kleuren van de muren, de vage rooklucht uit een tijd waarin het mensen allemaal nog minder kon schelen. Het is nu weg. Maar het uitzicht op de heldere blauwe zee blijft. Er zijn nu stoelen, naast elkaar recht tegenover de grote ramen gerangschikt. Hierdoor wordt het landschap een nog belangrijker onderdeel van de reis… Ook valt mijn oog op de vele schilderijen naast de ramen. Mooie tekeningen van de zee, herkenbare illustraties van vlinders, vogels, shiba inu hondjes, kleurrijke collages bestaande uit kranten, luciferdoosjes, oude postzegels. Het blijft zo mooi om te zien hoe creativiteit het nieuwe met het bestaande verbindt. Op een prachtige dag zoals dit kreeg ik zin om zelf weer de zee op te gaan, naar andere eilanden, op zoek naar nog niet ontdekte schoonheid…



De dag dat ik daadwerkelijk vertrok was een dag met een vaalblauwe lucht, een beetje gemengd met wolkjes. De horizon van de zee was niet heel duidelijk en leek op te gaan in de lucht. Het was tijd om weer een bootreisje te maken. Deze keer naar Teshima, het eiland dat na het kunstfestival, en zeker tijdens de winter, een lange tijd een winterslaap leek te houden. En nu, aan het begin van de lente, zou er weer een beetje nieuw leven moeten komen. De knalgele nanohana bloemen bloeiden gewaagd aan de rand van het zogenaamde ‘Yaorozu laboratorium’, een werk van de excentrieke kunstenares Sputniko. Aan de buitenkant een houten gebouw, met rode poorten en hekken aan de zijkant, waaraan verschillende houten plankjes (ema) met wensen van voorbijgangers waren gebonden.

Over voorbijgangers gesproken. Waar is iedereen eigenlijk? Hoewel het een zaterdag was, was ik tijdens mijn fietstocht door de bergen in de Kou-regio van Teshima nog niemand tegengekomen. Ik sprak een meisje in miko-achtige kleding, zij was de suppoost van het werk. “Ik vind het vooral zo jammer dat er zo weinig mensen hier naartoe komen… het is hier juist zo mooi.” De Kou-regio is ook prachtig, onbedorven kustlijnen, heldergroene gelaagde rijstvelden, authentieke huizen met mooie tuinen vol fruit- en palmbomen.

En natuurlijk hedendaagse kunst. Vanbinnen had het ‘laboratorium’ een bijzondere inrichting. Aan de ene kant een tafel vol met boeken over het geheim van de rode zijdeworm, het concept van Sputniko. Aan de andere kant, in de hoek van de kamer, een verhoging met tatamimatten met daarop een bonte verzameling van objecten. Verzamelingen van vlinders, reageerbuisjes en microscopen, prenten met landschapstekeningen, oude meubels en kastjes met boeken erin. Aan weerszijden felgekleurde doeken,  en aan de onderkant op de aardewerken vloer een paar hakschoentjes. De schoentjes en andere objecten keerden terug in de ietwat maffe maar aanstekelijke videoclip, waar ik in mijn zoektocht tussen de relatie van werk en ruimte lang naar kon blijven kijken.



Eenmaal buiten groetten we elkaar nog even. “Laten we bidden dat er vandaag meer mensen komen!” lachte het meisje, en gaf aanwijzingen voor de volgende kunstwerken die ik in de buurt kon bezoeken. Het tunnelvormige werk van Shiota Chiharu, gemaakt van deuren en ramen van oude huizen uit Setouchi, gemaakt samen met lokale bewoners, was een werk waar ik voor het bezoek aan deze regio lang naar uitkijk. Tijdens mijn fietstocht zag ik echter dat het werk was afgesloten aan de buitenkant, waardoor het alleen nog van veraf te bezichtigen was. Een paar waaghalzen waren over het hekje geklommen, maar brave ik durft dat niet. “Dat werk gaat waarschijnlijk nooit meer open” fronste ze. “Door de tyfoon van volgend jaar is het helemaal in elkaar gezakt, het is gevaarlijk.” Ik staarde naar de tunnel gemaakt van mysterieuze objecten van achter het hekje. En vroeg me af waar alles vandaan zou komen. Sommige dingen lijken verloren, maar zijn dat eigenlijk niet.

Aan de kust aan de andere kant van het eiland ligt een verlaten zeewering. En daar tegenover opeens twee huizen. Het ene huis is donkergrijs met een muur als een sterrenhemel. Hier was een grote groep klusjesmannen fanatiek aan het werk waren: zagen, materialen sjouwen. Fanatiek, alsof het hele huis nog gebouwd moest worden, terwijl het er eigenlijk al stond. Daarnaast lag echter, zeer beschut, een ander houten huis. Bruin gekleurd, een beetje onopvallend wees een wegwijzer naar de ingang ‘Seawall House’. Ik kwam uit bij de voortuin, waar een kersenbloesem prachtig in bloei stond. Voor de deur leidde een meneer mij naar de ingang. Het leek een heel gewoon woonhuis, schoenen uit en naar binnen. Aan de rechterkant in de genkan was er al iets bijzonders aan de hand: binnenshuis was er een mostuin aangelegd, met daarin stapstenen. Normaal zie je dit soort tuinen in de binnentuin van traditionele Japanse huizen, maar deze was letterlijk in het huis te vinden... Daarbinnen stond opeens een drumstel. De stokjes leken uit zichzelf te bewegen. Deze gingen heen en weer, soms een hard, duidelijk ritme, dan weer heel subtiel als een stem die fluisterde.



Het nodigde uit om door de ruimte heen te bewegen. Door de gang, aan het einde een langwerpig raam met uitzicht op de horizon, de waterwering, de watervogels die in groepjes dreven over de golven. Net als het landschap centraal lijkt te staan in het schouwspel gaan de gordijnen dicht. Donkere lappen die de ruimte opeens duister maken. Ik ga de omoya (voorruimte) in. Deze is in tweeën gedeeld door een glazen muur die de omgeving weerspiegelt en daardoor ruimtelijk maakt. Het ritme van de trommel blijft weerklinken terwijl ik, omgeven door apparaten waar ook flauwe geluiden uit voortkomen, naar de brede houten tokonoma alkoof loop. Ik zie een scherm, waar nog niets op is te zien. Ik twijfel en ga zitten op de tatamimatten die ingepakt zijn met een vreemde grijze stof. Een paar andere mensen komen binnen, een ouder stel. Zij gaan gewoon op de houten planken van de tokonoma zitten, alsof het een theaterbank is. Hoewel het vreemd voor mij voelt, sluit ik toch bij ze aan.

Er begint een film te spelen: een raam met groene blaadjes ervoor, die bewegen op de klanken van de muziek. Het zingende geluid van een saxofoon met het meer holle, fluitende geluid van de shakuhachi, een traditioneel instrument, er soms gemengd erdoorheen. Dan weer heel zachtjes een licht getingel, als sterren die twinkelen. Het raam met de plant komt steeds dichterbij, we zien een uitzicht over een stad. Hoge gebouwen, veel wit beton, af en toe een klein beetje groen in de parkjes ertussen. En een gemengde wolkige lucht erboven.



Het gordijn gaat weer open. En we luisteren naar de muziek met uitzicht op de zee en de lucht van Teshima, dat enerzijds zo anders is en anderzijds zoveel gemeen lijkt te hebben met de omgeving van de film. De muziek blijft doorgaan, versnelt. We zien een muzikant verschijnen voor het raam. Ver weg en soms heel dichtbij, in al zijn rauwheid. De structuur van de huid, de tanden, het groen in zijn haar. Het groen van de omgeving komt terug in zijn verschijning, in zijn muziek. Langzaam raakt mijn blik afgeleid naar het blauw van de binnenlandse zee van Seto, de mensen die zoekend door de ruimte gaan. Het melancholieke van de saxofoon verdwijnt langzaam, alleen het ritme op de achtergrond blijft over. Aan het einde van de gang wijst de meneer naar mij en gebaart zonder woorden: “Hé, kom eens kijken.”

De trommel bij de deur is opnieuw begonnen met trommelen. Vreemd genoeg raken het ritme, en het zachte tikken van de stokjes mij nu veel meer dan bij binnenkomst. Alsof de ervaring van daarnet iets heeft verandert. Is het de kracht van het huis, de kunst, misschien van jazz? Bijzonder wat dit alles met ons kan doen, denk ik, terwijl ik snel nog even een kijkje in de voortuin neem. De dwarrelende blaadjes van de bloesemboom nodigen mij uit om dichterbij te komen. Dan valt het mij pas voor het eerst op: in de grove structuur van de aarden buitenmuur zit een muziekdoosje verstopt. Licht tinkelende geluiden brengt het voort terwijl het langzaam draait. De zachte klanken lijken geheel aan te sluiten bij het dwarrelen van de lichte kersenbloesemblaadjes, door de wind, richting de stapstenen en mijn voeten. Dit was dus het geluid dat ik binnen hoorde… het geluid van de lente.