Zacht wuivend, gaat de zomer steeds een stukje voorbij
Is dit dan het paradijs? Ik sloot mijn ogen en hoorde enkel de vogels, het zachtjes zoemen van de cicades van de vroege zomer. Voor mij strekte een lichtkleurig strand uit. Hier en daar bedekt met puzzelstukjes van koraal, ieder met een eigen unieke vorm. Ze spoelden aan vanuit een wijde oceaan, die veranderde van donkerblauw naar licht turquoise naarmate dat de zon door de wolken brak. We vermaakten ons met zwemmen door het lauwwarme water, het ontdekken van kleine visjes in de heldere gedeelten, tijdens het beklauteren van de rotspartij langs de kust. Hier verwonderden wij ons over de prachtige vormen en inkepingen in de geërodeerde rotsen, die soms meer weg hadden van stukken hout dan van steen. En natuurlijk was het spannend om dan nog even verder te klauteren, en om de hoek weer nieuwe stukjes kust te ontdekken, waar de stroming sterker werd en geen mensen te bekennen waren... het blijft iets mysterieus hebben: de kust van een klein eilandje midden in de Stille Oceaan. De tropische bossen die aan het strand grenzen met smalle wandelpaden er tussendoor... wat zou daar allemaal leven? Kijkend naar het donkere groen van de aloë vera en ananasbomen, werd ik soms begroet door een vlinder, geel en wit, licht fladderend.
Het was geen onbewoond eiland. Naarmate dat de dag vorderde kwamen er steeds meer zeeliefhebbers naar het Furuzami Beach, om neer te strijken onder gele en blauwe parasols. Een kleine klim over een houten trap naar boven, en je komt bij een klein strandhuisje waar vooral veel aandacht werd besteed aan de verhuur van brillen, zwemvesten tot en met een complete snorkeloutfit. Dit is niet voor niets... Zamami, een van de eilanden van de Kerama archipel, staat onder andere bekend om het prachtige koraal dat langs vele kusten nog steeds te bewonderen is. Hoewel ik geen pro-duiker ben (of eigenlijk gewoon geen held ben) moest ik dit gewoon zien en meemaken! En dus kreeg ik van de goedlachse mevrouw van het strandtentje een bril, een snorkel en een zwemvest aangepast. "Je moet een zwemvest dragen, anders is het gevaarlijk!" Ik stemde daar mee in: veiligheid boven alles (achteraf begreep ik echter dat er nog een andere reden was...) Om een extra gevoel van veiligheid te garanderen kreeg ik ook een rond zwembadje met schattige personages erop. De mevrouw strekte haar armen uit en maakte een duikbeweging. "Je moet het zo vasthouden, dan kun je niet wegdrijven!" Een betere voorbereiding was er niet.
En toen ging het daadwerkelijk beginnen: de zoektocht naar koraal. Eerst was het een uitdaging om onder water te kijken en om tegelijkertijd te ademen. Na een paar gefaalde pogingen met flinke slokken zeewater, kreeg ik uiteindelijk de snorkeltechniek onder de knie. Maar waar was dan nu het koraal? Ik zag tot dan toe enkel een witte zanderige zeebodem. "Je moet daar naartoe zwemmen, daar is superveel te zien!," zei het meisje dat ik herkende uit het guesthouse waar we overnachtten. Ze wees naar een mysterieuze donkerblauwe vlek ergens verderop in de zee. Ik zwom gauw verder en keek naar beneden. En wat ik toen onder het wateroppervlakte zag kon ik bijna niet geloven: een hele nieuwe wereld. Een soort metropool van hoge koraalgebouwen waar kleine visjes in alle kleuren van de regenboog tussendoor zwommen en omheen cirkelden. Ik nam even goed te tijd om het te observeren, om langzaam te beseffen dat de dingen voor mijn ogen echt waren. Ondertussen merkte ik op dat iedere vis een eigen persoonlijkheid had: er waren bange vissen zoals die kleine gele die vooral dicht tegen het koraal (hun huis?) aankropen. Er waren ook ietwat brutale, nieuwsgierige vissen, zoals die paarse die mij de hele tijd in de gaten hield en ook stukjes met mij mee zwom. Ik vond hem interessant en slim, maar eigenlijk ook een beetje eng. Toen opeens bedacht ik: ook als ik niet naar hem had gekeken met deze duikbril, zou hij achtervolgd hebben... deze onderwaterwereld is er gewoon. Er zijn ook dingen die wij niet weten.
En toen ging ik meer lezen over het koraal van Zamami. Hoewel er nu nog veel te zien is, is het koraal vooral bij de toeristische stranden dramatisch afgenomen. De oorzaak is natuurlijk de mens: die onwetend het koraal vertrappen, of juist te nieuwsgierig zijn en het koraal gaan aanraken, te dichtbij komen. Gelukkig hebben ze bij Furuzamami beach maatregelen genomen: zo zijn beschermde stukken koraal afgezet, en moet iedereen verplicht een zwemvest dragen bij het snorkelen. Zo kon ik het koraal veilig van bovenaf bekijken maar niet dichtbij komen, en zo de vissenwereld rustig van boven te observeren. Ik legde het informatieboekje weg, en keek rond, naar foto's van alle bijzondere vissen en vogels op het eiland om me heen. In het strandtentje konden we rustig praten, genieten van een drankje en de koele zeewind die er doorheen waaide. Geuren van lokale sobanoedels en pittige rijstgerechten. Mensen die aan dezelfde houten tafel gingen zitten om te lunchen en even 'pauze' te nemen van het strand. En al gauw maakten we weer praatjes. Met jonge reizigers die even weg wilden uit het dagelijks leven, oude avonturiers die vooral nu veel willen reizen, gezinnen met kinderen, bruingebrande strandliefhebbers... stuk voor stuk eilandfans. "Ik kom elk jaar in Okinawa!" zei een van hen. "En wat is dan je favoriete eiland?" Ik kreeg een antwoord dat ik ergens wel verwachtte.
Zamami is bijzonder. Zamami is een beetje als een vreemde droom. Het beeld van de woest kolkende felblauwe zee, de wildernis eromheen en de kleine mensfiguurtjes ertussen. Het kleine dorpje aan de kust, met dat ene straatje met huisjes. Sommige van hout, sommige van steen of van vergrijsd beton. De onbeholpen, vervaagde tekeningen van stranden en vrolijke walvissen op de golfbrekers. Het vervallen, spookachtige wijkcentrum aan de kade. Hoewel het ieder moment in leek te storten, gaf een blik naar binnen een beeld van vrolijke mensen die druk bezig waren met billboards schilderen. Een wandeling door het smalle straatje, omringd met traditionele huizen met typische omhoog glooiende oranje daken. Muurtjes met daarop kuddes wild grommende, maar toch niet zo angstaanjagende shisa, de bekende beschermleeuwen van Okinawa. Shisa hier en shisa daar... ieder huis, iedere winkel, ieder officieel gebouw heeft een eigen shisa met een uniek design. Over creativiteit gesproken: in het midden van de winkelstraat was er een klein winkeltje, waar een jonge illustratrice uit Kyoto, nu woonachtig op haar droomeiland, een bonte verzameling van souvenirs had getekend en beschilderd. De rijke decoraties en kleurigheid van haar tekeningen ademden de sfeer van Zamami: een plek die kwetsbaar en vergankelijk, en tegelijkertijd vol leven voelt.
We konden blijven ruiken van de zwaar-geparfumeerde, hibiscus-achtige bloemen die overal bloeiden. En dan werden we weer eens aangesproken door een local. Hij gaf ons uitleg over de bloemen en vervolgens over alle lekkere restaurantjes in het dorpje, die wij dan ook dankbaar opvolgden. Het resulteerde in avondjes met grote porties champuru (geroerbakte groenten) en heerlijke tonijn sashimi in gezellige ruimtes waar vooral veel luidruchtig werd gekletst en gelachen. Ook was er ruimte voor spontane gesprekken. Opeens hadden we nieuwe vrienden gemaakt die ons omhelsden bij afscheid, dan werden we weer betrokken bij een bijeenkomst van de zeilcommissie en toen opeens werden we voorgesteld aan de vice-burgemeester van het eiland, een aardige mevrouw. "Kom zeker nog eens terug op Zamami!" zei ze enthousiast. De wandeling terug door het dorpje door de straatjes, de terugkomst in onze knusse tatami kamer. De volgende dag weer genieten van de uitzichten op zee, de mensen die gedag zeggen, het horen van een liedje bij het vallen van een bepaald tijdsstip op de dag. Opeens dacht ik terug aan Naoshima... En dat een eiland al gauw als thuis kan voelen.
En dus voelt het ook een beetje triest om zo'n thuis-achtige plaats weer te verlaten. Echter bracht de boot ons naar een plek waar we nog meer verrassingen en avonturen tegemoet kwamen. Over een oceaan die duizend keer wilder was dan de binnenlandse zee van Seto, werden we over metershoge golven meegevoerd het hoofdeiland van Okinawa. Hier kwamen we aan in Naha, een stad rijk aan kleuren, geuren, excentrieke muziek en unieke architectuur, waarbij de cultuur van Okinawa, zo anders dan het Japanse vasteland, steeds duidelijker in beeld kwam. Opnieuw werden we begroet door talloze shisa en mensen, locals en reizigers. In de gezellige guesthouse maakten we kennis met onze Italiaanse gastvrouw die als langdurig inwoner van Naha al allerlei charmes van de stad heeft leren kennen. "Okinawanen zijn heel open: als je ze dingen vraagt, krijg je vaak hele gesprekken. Je kunt hier veel van mensen leren." Geboeid door haar huis dat vol lag met boeken over Okinawaanse taal, geschiedenis en lessen voor een lang leven (immers, de oudste bevolking van de wereld!), was ik vastbesloten om meer over 'hier' te weten te komen. Na een heerlijk ontbijt van Italiaanse cakejes en zoete Okinawaanse ananas en passievrucht, was het tijd voor een wandeling. Langs een brede boulevard met rijen hoge bomen, door een lange winkelstraat (die in de ochtend nog rustig oogde...), waarbij de oranjerode straatsteentjes ons leidden naar een breed plein met statige gebouwen en daar vlakbij... het station van de monorail!
Het bijzondere voertuig, dat zweefde boven de wegen en kanalen van de stad, bracht ons steeds dieper en hoger het landschap in. Gebouwen tegen steile bergen aangebouwd, met veel verschillende kleuren en vormen, omringd en soms zelfs doordrongen van groen. En toen we eenmaal op het hoogste punt waren aangekomen, vingen we weer een glimp op van die prachtige blauwe zee, in de verte. Op deze hoge berg zouden we kennis maken met het koninkrijk van Ryukyu, en daarmee met de geschiedenis van deze eilanden voordat deze deel gingen uitmaken van Japan. Hoewel ik van tevoren wist dat we een vrij recente reconstructie van het kasteel zouden gaan bekijken (het origineel is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan), raakte ik toch gefascineerd door de schoonheid van 'het oude'. We liepen langs hoge, grove stenen muren het park in, waar we bij een tempeltje langs een mooie, rustige vijver kwamen. Het verweerde grijskleurige houten gebouw en de brug waren inmiddels al 500 jaar oud en de dikke boom daarnaast, zodanig overwoekerd met lianen dat het wel een 'dubbele boom' leek, zal niet veel later gevolgd hebben. Sommigen bidden hier ijverig tot Benzaiten, de godin van wijsheid en 'alles dat stroomt', terwijl een jong stelletje foto's maakten bij de overjarige boom, en dan wijzelf. Dat deze dagen maar voort mogen blijven duren...
"Haisai!" riep de poortwachter ietwat geforceerd. Prachtig gekleed in traditionele Okinawaanse klederdracht groette hij ons in het Okinawaans. Ironisch genoeg was het de eerste keer dat ik 'live' ook maar een woord hoorde van taal, verder hoor je overal Japans. En daar verscheen dan het Shuri kasteel, of de gereconstrueerde versie van wat erover bekend was. Het culturele en politieke centrum van het Ryukyu koninkrijk, met rijke versieringen van bloemen, draken en shisa, ieder zeer nauwkeurig ingevuld met oneindig vele laagjes rood, groen en goudkleurig lakwerk. (Pas bij het kijken van de video in het museum ernaast, kon ik me ècht verbazen over dit eeuwenlange proces!) En dan was er nog de tempelwachter die keek hoe wij dit alles aanschouwden. Hij wees de verschillende kenmerken aan: "De vorm van de trap is Japans, de versieringen met draken zijn Chinees, en de vorm van het dak en de twee zuilen met de drakenkoppen zijn typisch Ryukyu." De gebouwen leken inderdaad een mengeling te zijn van allerlei bouwstijlen uit verschillende landen, en ook nu kun je nog de 'internationaalheid' van het centraal gelegen Okinawa voelen. Om je heen hoorde je allerlei talen. Taiwanese reizigers probeerden de kanji op een oude bel te ontcijferen, maar dan in hun eigen taal, wat leidde tot grappige veronderstellingen. En toen opeens, op een prent waarop de haven van Naha van vroeger te zien was, zagen we ook enkele schepen met bekende vlaggen van rood, wit, blauw.
In de 'Kokusai dori' (de 'internationale' winkelstraat) van Naha, ervoeren we opnieuw de hedendaagse versie van de kleurrijke Okinawaanse cultuur. Kleding met veel kleurgradaties en bloempatronen, traditioneel aardewerk in de kleuren aardebruin en helderblauw, winkels waar duizenden grote en kleine shisa's stonden uitgestald (een beetje eng!), live muziek restaurant waar mensen ongegeneerd stonden te dansen en te klappen, Amerikaans ogende koffiehuisjes, en in de zijstraten eindeloos veel winkeltjes waar lokale producten werden verkocht. Stapeltjes mini-ananassen ter grootte van je handpalm, stapeltjes zwarte suiker, stapeltjes manju. En toen ontdekten we een aquarium met merkwaardige zeedieren... felblauwe vissen en een kreeft zonder scharen met een vreemde hartjesvormige neus.
Inmiddels terug in Naoshima, uitkijkend naar de rustige grijsblauwe zee van Seto, luisterde ik half naar een verhaal van de bekende 'opa' van het eiland. "De kreeften van Ise hebben de naam, maar die stellen niks voor bij de zogenaamde 'cicaden kreeft'!" vertelde hij geanimeerd. Ik keek op en zag hoe hij een eilandgenoot foto's liet zien van een kreeft die mij zeer bekend voorkwam... opeens werd ik teruggetrokken in mijn herinneringen, naar dat eiland, naar dat moment, naar dat aquarium. En de jaloerse gezichten van voorbijgangers bij het zien van de gelukkige personen die hem mochten verorberen. "De lekkerste kreeft van de wereld komt alleen voor in Okinawa!" riep hij uit. "Dat klopt, dat weet ik!!" Ik sprong op, achter mijn computer vandaan. Ik schrok van m'n eigen reactie, van de levendige herinnering die Okinawa in mij achterliet, en zich opnieuw manifesteerde in Naoshima. Het eiland waar mensen hun tuintjes niet alleen met Kusama-pompoenen en kikkers gemaakt van oude zeeboeien decoreren.... ook ontdek ik hier en daar een verdwaalde shisa, en dan vraag ik me af uit welk 'ver eiland' hij dan weer vandaan komt.
Fietsend door de bergen richting het haventje kijk ik mijn ogen uit naar de wuivende oranjegele bloemen, zo kenmerkend voor de vroege zomer van Naoshima. "Oorspronkelijk waren deze bloemen hier nog niet, deze zijn komen 'overwaaien'. Ze lijken misschien op cosmea, maar zijn eigenlijk familie van de kiku (Japanse chrysant)," vertelde een vriendin en bloemenkenner. De vrolijk gekleurde bloemen zijn overal, ze groeien zelfs op plekken waar het eigenlijk niet mogelijk is. Tegen hoge bergen aan, op kale stukken grond, door wrakken van oude bootjes op de oever heen. En toen maakte de blauwe lucht opeens plaats voor donkere wolken, het regenseizoen was begonnen. Dagenlang binnen doorbrengen met regen tikkend op de ruiten. Ondertussen lagen het strand en de kunstwerken er eenzaam bij, de gele pompoen gereflecteerd in een grote waterplas. Gelukkig kwam er, na veel zorgen hoe het landschap er na afloop erbij zou liggen, weer een einde aan. De zon begon te schijnen en aan de waterkant zag ik zowaar nog enkele oranje bloemen, echte doorzetters, die al de zware regenval hadden overleefd. De temperatuur van het water werd aangenaam, en mensen waagden zich weer in het zeewater. De cicaden in de bomen begonnen met zingen, en hun lied zou nog wel even voortduren...
