dinsdag 24 april 2018

Geluiden van de lente




Hoor ik daar een vaag gegiechel in de verte… de veranderende kleuren om mij heen doen mij denken aan het moment dat ik hier voor het eerst kwam. Ik kijk naar boven naar de klimop aan het plafond die zo lang bruin is geweest en nu eindelijk weer een beetje groene blaadjes begint te krijgen. De bergen die voor mij uitrijzen worden belicht met de zon en veranderen in een zee van lichtpaars en roze. De bergazaleas van Naoshima zijn terug. Ook beginnen op verschillende plekken de sakura weer te bloeien: grote, indrukwekkende bomen bij de basisschool van Naoshima en op de top van de berg bij de resten van het oude kasteel Takahara. Vergeleken met deze oude bomen zijn de sakura in het zogenaamde ‘kersenbloesemdoolhof’ van Ando nog maar dun en kwetsbaar. Toch staan de witte boompjes mooi te bloeien, bescheiden wit zo tussen de felgekleurde bergen. Een ritje met de auto geeft mooie uitzichten op de zee. Bergen die zijn ingekleurd met vlekken van lichtgroen, paars, roze, wit, geel… We hoeven niet meer naar het Chichu Museum om schilderijen van Monet te kunnen zien. En dan herinner ik me de woorden van een echte local van Naoshima: wij noemen dit nu de ‘waraiyama’, ofwel  de ‘lachende bergen’.



Wanneer het landschap na de koude winter weer begint te lachen, gaan er ook op zee weer dingen gebeuren. Zo stuitte ik op een kleine verandering bij aankomst in de Miyanoura haven… of nou ja, een kleine. Eerder was het een hele grote, ietwat dominante verschijning: de gloednieuwe ‘Asahi’ ferry, die ver boven alle andere schepen en gebouwen in de haven uittorende. Ik keek omhoog naar het trotse schip, groot en wit met een opvallend patroon van rode driehoeken. Ik stapte van mijn fiets af om een kijkje te nemen en zag dat er juist een openingsceremonie zou worden gehouden. Natuurlijk mocht iedereen hier deel van uitmaken. Veel mensen begaven zich in, op en rondom de boot en ook werd ik gevraagd om even aan boord te komen.




Bij binnenkomst verbaas ik mij niet alleen om het nieuwe, strakke, dan wel smaakvolle interieur van de ferry, maar ook om de stemming in de ruimte. Het voelde vreemd om er zomaar in te vallen: een concert met gezang en spel van muzikanten op saxofoon en (moderne) accordeonmuziek, omringd door lachende en klappende feestgangers sommige gekleed in zomerse t-shirts, anderen in pak, een dan weer een groep meisjes in feestelijke bont gekleurde kimono. De kinderen renden rond en gingen naar boven, om de zee te zien, om een foto te nemen bij de beelden op het dek. Al gauw kwam ik bekenden tegen en worden er praatjes gemaakt over de ferry en het zeelandschap eromheen. Eilanden rondom Naoshima in de verte vielen in het oog en werden onderwerp van gesprek. Dan hoorde ik schokkende verhalen van eilanders over ‘vroeger’: “Toen ik jong was, zwom ik stiekem naar de andere kant zodra het eb werd. Maar met vloed moet je het niet proberen hoor!”




Nog diep onder de indruk van dit verhaal van waaghalzerij van opa nam ik vervolgens nog even rustig het interieur van het schip in mij op. De nostalgische charmes van de oude ferry, de lage groene bankjes, de vaalgele kleuren van de muren, de vage rooklucht uit een tijd waarin het mensen allemaal nog minder kon schelen. Het is nu weg. Maar het uitzicht op de heldere blauwe zee blijft. Er zijn nu stoelen, naast elkaar recht tegenover de grote ramen gerangschikt. Hierdoor wordt het landschap een nog belangrijker onderdeel van de reis… Ook valt mijn oog op de vele schilderijen naast de ramen. Mooie tekeningen van de zee, herkenbare illustraties van vlinders, vogels, shiba inu hondjes, kleurrijke collages bestaande uit kranten, luciferdoosjes, oude postzegels. Het blijft zo mooi om te zien hoe creativiteit het nieuwe met het bestaande verbindt. Op een prachtige dag zoals dit kreeg ik zin om zelf weer de zee op te gaan, naar andere eilanden, op zoek naar nog niet ontdekte schoonheid…



De dag dat ik daadwerkelijk vertrok was een dag met een vaalblauwe lucht, een beetje gemengd met wolkjes. De horizon van de zee was niet heel duidelijk en leek op te gaan in de lucht. Het was tijd om weer een bootreisje te maken. Deze keer naar Teshima, het eiland dat na het kunstfestival, en zeker tijdens de winter, een lange tijd een winterslaap leek te houden. En nu, aan het begin van de lente, zou er weer een beetje nieuw leven moeten komen. De knalgele nanohana bloemen bloeiden gewaagd aan de rand van het zogenaamde ‘Yaorozu laboratorium’, een werk van de excentrieke kunstenares Sputniko. Aan de buitenkant een houten gebouw, met rode poorten en hekken aan de zijkant, waaraan verschillende houten plankjes (ema) met wensen van voorbijgangers waren gebonden.

Over voorbijgangers gesproken. Waar is iedereen eigenlijk? Hoewel het een zaterdag was, was ik tijdens mijn fietstocht door de bergen in de Kou-regio van Teshima nog niemand tegengekomen. Ik sprak een meisje in miko-achtige kleding, zij was de suppoost van het werk. “Ik vind het vooral zo jammer dat er zo weinig mensen hier naartoe komen… het is hier juist zo mooi.” De Kou-regio is ook prachtig, onbedorven kustlijnen, heldergroene gelaagde rijstvelden, authentieke huizen met mooie tuinen vol fruit- en palmbomen.

En natuurlijk hedendaagse kunst. Vanbinnen had het ‘laboratorium’ een bijzondere inrichting. Aan de ene kant een tafel vol met boeken over het geheim van de rode zijdeworm, het concept van Sputniko. Aan de andere kant, in de hoek van de kamer, een verhoging met tatamimatten met daarop een bonte verzameling van objecten. Verzamelingen van vlinders, reageerbuisjes en microscopen, prenten met landschapstekeningen, oude meubels en kastjes met boeken erin. Aan weerszijden felgekleurde doeken,  en aan de onderkant op de aardewerken vloer een paar hakschoentjes. De schoentjes en andere objecten keerden terug in de ietwat maffe maar aanstekelijke videoclip, waar ik in mijn zoektocht tussen de relatie van werk en ruimte lang naar kon blijven kijken.



Eenmaal buiten groetten we elkaar nog even. “Laten we bidden dat er vandaag meer mensen komen!” lachte het meisje, en gaf aanwijzingen voor de volgende kunstwerken die ik in de buurt kon bezoeken. Het tunnelvormige werk van Shiota Chiharu, gemaakt van deuren en ramen van oude huizen uit Setouchi, gemaakt samen met lokale bewoners, was een werk waar ik voor het bezoek aan deze regio lang naar uitkijk. Tijdens mijn fietstocht zag ik echter dat het werk was afgesloten aan de buitenkant, waardoor het alleen nog van veraf te bezichtigen was. Een paar waaghalzen waren over het hekje geklommen, maar brave ik durft dat niet. “Dat werk gaat waarschijnlijk nooit meer open” fronste ze. “Door de tyfoon van volgend jaar is het helemaal in elkaar gezakt, het is gevaarlijk.” Ik staarde naar de tunnel gemaakt van mysterieuze objecten van achter het hekje. En vroeg me af waar alles vandaan zou komen. Sommige dingen lijken verloren, maar zijn dat eigenlijk niet.

Aan de kust aan de andere kant van het eiland ligt een verlaten zeewering. En daar tegenover opeens twee huizen. Het ene huis is donkergrijs met een muur als een sterrenhemel. Hier was een grote groep klusjesmannen fanatiek aan het werk waren: zagen, materialen sjouwen. Fanatiek, alsof het hele huis nog gebouwd moest worden, terwijl het er eigenlijk al stond. Daarnaast lag echter, zeer beschut, een ander houten huis. Bruin gekleurd, een beetje onopvallend wees een wegwijzer naar de ingang ‘Seawall House’. Ik kwam uit bij de voortuin, waar een kersenbloesem prachtig in bloei stond. Voor de deur leidde een meneer mij naar de ingang. Het leek een heel gewoon woonhuis, schoenen uit en naar binnen. Aan de rechterkant in de genkan was er al iets bijzonders aan de hand: binnenshuis was er een mostuin aangelegd, met daarin stapstenen. Normaal zie je dit soort tuinen in de binnentuin van traditionele Japanse huizen, maar deze was letterlijk in het huis te vinden... Daarbinnen stond opeens een drumstel. De stokjes leken uit zichzelf te bewegen. Deze gingen heen en weer, soms een hard, duidelijk ritme, dan weer heel subtiel als een stem die fluisterde.



Het nodigde uit om door de ruimte heen te bewegen. Door de gang, aan het einde een langwerpig raam met uitzicht op de horizon, de waterwering, de watervogels die in groepjes dreven over de golven. Net als het landschap centraal lijkt te staan in het schouwspel gaan de gordijnen dicht. Donkere lappen die de ruimte opeens duister maken. Ik ga de omoya (voorruimte) in. Deze is in tweeën gedeeld door een glazen muur die de omgeving weerspiegelt en daardoor ruimtelijk maakt. Het ritme van de trommel blijft weerklinken terwijl ik, omgeven door apparaten waar ook flauwe geluiden uit voortkomen, naar de brede houten tokonoma alkoof loop. Ik zie een scherm, waar nog niets op is te zien. Ik twijfel en ga zitten op de tatamimatten die ingepakt zijn met een vreemde grijze stof. Een paar andere mensen komen binnen, een ouder stel. Zij gaan gewoon op de houten planken van de tokonoma zitten, alsof het een theaterbank is. Hoewel het vreemd voor mij voelt, sluit ik toch bij ze aan.

Er begint een film te spelen: een raam met groene blaadjes ervoor, die bewegen op de klanken van de muziek. Het zingende geluid van een saxofoon met het meer holle, fluitende geluid van de shakuhachi, een traditioneel instrument, er soms gemengd erdoorheen. Dan weer heel zachtjes een licht getingel, als sterren die twinkelen. Het raam met de plant komt steeds dichterbij, we zien een uitzicht over een stad. Hoge gebouwen, veel wit beton, af en toe een klein beetje groen in de parkjes ertussen. En een gemengde wolkige lucht erboven.



Het gordijn gaat weer open. En we luisteren naar de muziek met uitzicht op de zee en de lucht van Teshima, dat enerzijds zo anders is en anderzijds zoveel gemeen lijkt te hebben met de omgeving van de film. De muziek blijft doorgaan, versnelt. We zien een muzikant verschijnen voor het raam. Ver weg en soms heel dichtbij, in al zijn rauwheid. De structuur van de huid, de tanden, het groen in zijn haar. Het groen van de omgeving komt terug in zijn verschijning, in zijn muziek. Langzaam raakt mijn blik afgeleid naar het blauw van de binnenlandse zee van Seto, de mensen die zoekend door de ruimte gaan. Het melancholieke van de saxofoon verdwijnt langzaam, alleen het ritme op de achtergrond blijft over. Aan het einde van de gang wijst de meneer naar mij en gebaart zonder woorden: “Hé, kom eens kijken.”

De trommel bij de deur is opnieuw begonnen met trommelen. Vreemd genoeg raken het ritme, en het zachte tikken van de stokjes mij nu veel meer dan bij binnenkomst. Alsof de ervaring van daarnet iets heeft verandert. Is het de kracht van het huis, de kunst, misschien van jazz? Bijzonder wat dit alles met ons kan doen, denk ik, terwijl ik snel nog even een kijkje in de voortuin neem. De dwarrelende blaadjes van de bloesemboom nodigen mij uit om dichterbij te komen. Dan valt het mij pas voor het eerst op: in de grove structuur van de aarden buitenmuur zit een muziekdoosje verstopt. Licht tinkelende geluiden brengt het voort terwijl het langzaam draait. De zachte klanken lijken geheel aan te sluiten bij het dwarrelen van de lichte kersenbloesemblaadjes, door de wind, richting de stapstenen en mijn voeten. Dit was dus het geluid dat ik binnen hoorde… het geluid van de lente.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten