Hoor ik daar
een vaag gegiechel in de verte… de veranderende kleuren om mij heen doen mij
denken aan het moment dat ik hier voor het eerst kwam. Ik kijk naar boven naar
de klimop aan het plafond die zo lang bruin is geweest en nu eindelijk weer een
beetje groene blaadjes begint te krijgen. De bergen die voor mij uitrijzen
worden belicht met de zon en veranderen in een zee van lichtpaars en roze. De
bergazaleas van Naoshima zijn terug. Ook beginnen op verschillende plekken de
sakura weer te bloeien: grote, indrukwekkende bomen bij de basisschool van
Naoshima en op de top van de berg bij de resten van het oude kasteel Takahara.
Vergeleken met deze oude bomen zijn de sakura in het zogenaamde ‘kersenbloesemdoolhof’
van Ando nog maar dun en kwetsbaar. Toch staan de witte boompjes mooi te
bloeien, bescheiden wit zo tussen de felgekleurde bergen. Een ritje met de auto
geeft mooie uitzichten op de zee. Bergen die zijn ingekleurd met vlekken van
lichtgroen, paars, roze, wit, geel… We hoeven niet meer naar het Chichu Museum
om schilderijen van Monet te kunnen zien. En dan herinner ik me de woorden van
een echte local van Naoshima: wij noemen dit nu de ‘waraiyama’, ofwel de
‘lachende bergen’.
Wanneer het
landschap na de koude winter weer begint te lachen, gaan er ook op zee weer
dingen gebeuren. Zo stuitte ik op een kleine verandering bij aankomst in de
Miyanoura haven… of nou ja, een kleine. Eerder was het een hele grote, ietwat
dominante verschijning: de gloednieuwe
‘Asahi’ ferry, die ver boven alle andere schepen en gebouwen in de haven
uittorende. Ik keek omhoog naar het
trotse schip, groot en wit met een opvallend patroon van rode driehoeken. Ik
stapte van mijn fiets af om een kijkje te nemen en zag dat er juist een openingsceremonie
zou worden gehouden. Natuurlijk mocht iedereen hier deel van uitmaken. Veel
mensen begaven zich in, op en rondom de boot en ook werd ik gevraagd om even
aan boord te komen.
Bij
binnenkomst verbaas ik mij niet alleen om het nieuwe, strakke, dan wel
smaakvolle interieur van de ferry, maar ook om de stemming in de ruimte. Het
voelde vreemd om er zomaar in te vallen: een concert met gezang en spel van
muzikanten op saxofoon en (moderne) accordeonmuziek, omringd door lachende en
klappende feestgangers sommige gekleed in zomerse t-shirts, anderen in pak, een
dan weer een groep meisjes in feestelijke bont gekleurde kimono. De kinderen
renden rond en gingen naar boven, om de zee te zien, om een foto te nemen bij
de beelden op het dek. Al gauw kwam ik bekenden tegen en worden er praatjes
gemaakt over de ferry en het zeelandschap eromheen. Eilanden rondom Naoshima in
de verte vielen in het oog en werden onderwerp van gesprek. Dan hoorde ik
schokkende verhalen van eilanders over ‘vroeger’: “Toen ik jong was, zwom ik
stiekem naar de andere kant zodra het eb werd. Maar met vloed moet je het niet
proberen hoor!”
Nog diep
onder de indruk van dit verhaal van waaghalzerij van opa nam ik vervolgens nog
even rustig het interieur van het schip in mij op. De nostalgische charmes van
de oude ferry, de lage groene bankjes, de vaalgele kleuren van de muren, de
vage rooklucht uit een tijd waarin het mensen allemaal nog minder kon schelen.
Het is nu weg. Maar het uitzicht op de heldere blauwe zee blijft. Er zijn nu
stoelen, naast elkaar recht tegenover de grote ramen gerangschikt. Hierdoor
wordt het landschap een nog belangrijker onderdeel van de reis… Ook valt mijn
oog op de vele schilderijen naast de ramen. Mooie tekeningen van de zee,
herkenbare illustraties van vlinders, vogels, shiba inu hondjes, kleurrijke collages bestaande uit kranten,
luciferdoosjes, oude postzegels. Het
blijft zo mooi om te zien hoe creativiteit het nieuwe met het bestaande
verbindt. Op een prachtige dag zoals dit kreeg ik zin om zelf weer de zee op te
gaan, naar andere eilanden, op zoek naar nog niet ontdekte schoonheid…
De dag dat
ik daadwerkelijk vertrok was een dag met een vaalblauwe lucht, een beetje
gemengd met wolkjes. De horizon van de zee was niet heel duidelijk en leek op
te gaan in de lucht. Het was tijd om weer een bootreisje te maken. Deze keer naar
Teshima, het eiland dat na het kunstfestival, en zeker tijdens de winter, een
lange tijd een winterslaap leek te houden. En nu, aan het begin van de lente,
zou er weer een beetje nieuw leven moeten komen. De knalgele nanohana bloemen bloeiden
gewaagd aan de rand van het zogenaamde ‘Yaorozu laboratorium’, een werk van de excentrieke
kunstenares Sputniko. Aan de buitenkant een houten gebouw, met rode
poorten en hekken aan de zijkant, waaraan verschillende houten plankjes (ema) met wensen van voorbijgangers waren
gebonden.
Over
voorbijgangers gesproken. Waar is iedereen eigenlijk? Hoewel het een zaterdag
was, was ik tijdens mijn fietstocht door de bergen in de Kou-regio van Teshima
nog niemand tegengekomen. Ik sprak een meisje in miko-achtige kleding, zij was de suppoost van het werk. “Ik vind
het vooral zo jammer dat er zo weinig mensen hier naartoe komen… het is hier
juist zo mooi.” De Kou-regio is ook prachtig, onbedorven kustlijnen, heldergroene
gelaagde rijstvelden, authentieke huizen met mooie tuinen vol fruit- en
palmbomen.
En natuurlijk
hedendaagse kunst. Vanbinnen had het ‘laboratorium’ een bijzondere inrichting.
Aan de ene kant een tafel vol met boeken over het geheim van de rode zijdeworm,
het concept van Sputniko. Aan de andere kant, in de hoek van de kamer, een
verhoging met tatamimatten met daarop een bonte verzameling van objecten. Verzamelingen
van vlinders, reageerbuisjes en microscopen, prenten met landschapstekeningen,
oude meubels en kastjes met boeken erin. Aan weerszijden felgekleurde doeken, en aan de onderkant op de aardewerken vloer
een paar hakschoentjes. De schoentjes en andere objecten keerden terug in de
ietwat maffe maar aanstekelijke videoclip, waar ik in mijn zoektocht tussen de
relatie van werk en ruimte lang naar kon blijven kijken.
Eenmaal
buiten groetten we elkaar nog even. “Laten we bidden dat er vandaag meer mensen
komen!” lachte het meisje, en gaf aanwijzingen voor de volgende kunstwerken die
ik in de buurt kon bezoeken. Het tunnelvormige werk van Shiota Chiharu, gemaakt
van deuren en ramen van oude huizen uit Setouchi, gemaakt samen met lokale
bewoners, was een werk waar ik voor het bezoek aan deze regio lang naar
uitkijk. Tijdens mijn fietstocht zag ik echter dat het werk was afgesloten aan
de buitenkant, waardoor het alleen nog van veraf te bezichtigen was. Een paar
waaghalzen waren over het hekje geklommen, maar brave ik durft dat niet. “Dat
werk gaat waarschijnlijk nooit meer open” fronste ze. “Door de tyfoon van
volgend jaar is het helemaal in elkaar gezakt, het is gevaarlijk.” Ik staarde
naar de tunnel gemaakt van mysterieuze objecten van achter het hekje. En vroeg
me af waar alles vandaan zou komen. Sommige dingen lijken verloren, maar zijn
dat eigenlijk niet.
Aan de kust aan
de andere kant van het eiland ligt een verlaten zeewering. En daar tegenover
opeens twee huizen. Het ene huis is donkergrijs met een muur als een
sterrenhemel. Hier was een grote groep klusjesmannen fanatiek aan het werk
waren: zagen, materialen sjouwen. Fanatiek, alsof het hele huis nog gebouwd moest
worden, terwijl het er eigenlijk al stond. Daarnaast lag echter, zeer beschut,
een ander houten huis. Bruin gekleurd, een beetje onopvallend wees een
wegwijzer naar de ingang ‘Seawall House’. Ik kwam uit bij de voortuin, waar een
kersenbloesem prachtig in bloei stond. Voor de deur leidde een meneer mij naar
de ingang. Het leek een heel gewoon woonhuis, schoenen uit en naar binnen. Aan
de rechterkant in de genkan was er al
iets bijzonders aan de hand: binnenshuis was er een mostuin aangelegd, met
daarin stapstenen. Normaal zie je dit soort tuinen in de binnentuin van
traditionele Japanse huizen, maar deze was letterlijk in het huis te vinden...
Daarbinnen stond opeens een drumstel. De stokjes leken uit zichzelf te bewegen.
Deze gingen heen en weer, soms een hard, duidelijk ritme, dan weer heel subtiel
als een stem die fluisterde.
Het nodigde
uit om door de ruimte heen te bewegen. Door de gang, aan het einde een
langwerpig raam met uitzicht op de horizon, de waterwering, de watervogels die
in groepjes dreven over de golven. Net als het landschap centraal lijkt te
staan in het schouwspel gaan de gordijnen dicht. Donkere lappen die de ruimte
opeens duister maken. Ik ga de omoya (voorruimte)
in. Deze is in tweeën gedeeld door een glazen muur die de omgeving weerspiegelt
en daardoor ruimtelijk maakt. Het ritme van de trommel blijft weerklinken
terwijl ik, omgeven door apparaten waar ook flauwe geluiden uit voortkomen,
naar de brede houten tokonoma alkoof loop.
Ik zie een scherm, waar nog niets op is te zien. Ik twijfel en ga zitten op de
tatamimatten die ingepakt zijn met een vreemde grijze stof. Een paar andere
mensen komen binnen, een ouder stel. Zij gaan gewoon op de houten planken van
de tokonoma zitten, alsof het een
theaterbank is. Hoewel het vreemd voor mij voelt, sluit ik toch bij ze aan.
Er begint
een film te spelen: een raam met groene blaadjes ervoor, die bewegen op de
klanken van de muziek. Het zingende geluid van een saxofoon met het meer holle,
fluitende geluid van de shakuhachi,
een traditioneel instrument, er soms gemengd erdoorheen. Dan weer heel zachtjes
een licht getingel, als sterren die twinkelen. Het raam met de plant komt
steeds dichterbij, we zien een uitzicht over een stad. Hoge gebouwen, veel wit
beton, af en toe een klein beetje groen in de parkjes ertussen. En een gemengde
wolkige lucht erboven.
Het gordijn
gaat weer open. En we luisteren naar de muziek met uitzicht op de zee en de
lucht van Teshima, dat enerzijds zo anders is en anderzijds zoveel gemeen lijkt
te hebben met de omgeving van de film. De muziek blijft doorgaan, versnelt. We
zien een muzikant verschijnen voor het raam. Ver weg en soms heel dichtbij, in
al zijn rauwheid. De structuur van de huid, de tanden, het groen in zijn haar.
Het groen van de omgeving komt terug in zijn verschijning, in zijn muziek.
Langzaam raakt mijn blik afgeleid naar het blauw van de binnenlandse zee van
Seto, de mensen die zoekend door de ruimte gaan. Het melancholieke van de
saxofoon verdwijnt langzaam, alleen het ritme op de achtergrond blijft over.
Aan het einde van de gang wijst de meneer naar mij en gebaart zonder woorden:
“Hé, kom eens kijken.”
De trommel
bij de deur is opnieuw begonnen met trommelen. Vreemd genoeg raken het ritme,
en het zachte tikken van de stokjes mij nu veel meer dan bij binnenkomst. Alsof
de ervaring van daarnet iets heeft verandert. Is het de kracht van het huis, de
kunst, misschien van jazz? Bijzonder wat dit alles met ons kan doen, denk ik,
terwijl ik snel nog even een kijkje in de voortuin neem. De dwarrelende
blaadjes van de bloesemboom nodigen mij uit om dichterbij te komen. Dan valt
het mij pas voor het eerst op: in de grove structuur van de aarden buitenmuur
zit een muziekdoosje verstopt. Licht tinkelende geluiden brengt het voort
terwijl het langzaam draait. De zachte klanken lijken geheel aan te sluiten bij
het dwarrelen van de lichte kersenbloesemblaadjes, door de wind, richting de
stapstenen en mijn voeten. Dit was dus het geluid dat ik binnen hoorde… het
geluid van de lente.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten