zaterdag 10 maart 2018

Kleurige winterdagen


De eerste zonsopgang. Een nieuw begin.
Aandacht voor symboliek tijdens Nieuwjaar: mochi, daidai, winterboom (?)

s'Ochtends vroeg om 6 uur opstaan. Heerlijk vind ik dat. En vandaag is er een reden om dat te doen. Met z'n allen behoren we immers de dormitory fris, schoon en bovendien grasvrij te houden. Hoewel dat laatste misschien niet meer zo'n drama is. Groeide het in de zomer rondom het donkerhouten gebouw nog uit tot een complete jungle in één week, in de winter doen de planten het rustig aan. Toch pakten we ons warm in om ons op deze frisse ochtend te wapenen tegen alle rondslingerende blaadjes en vuil uit de zee.

Elk seizoen verbaasde ik mij weer over iets anders tijdens deze 'grote tuiniersessie'. In de zomer waren de gigantische groene sprinkhanen, donkerbruine duizendpoten en hun kindjes nog onderwerp van gesprek. In de herfst leek er geen einde te komen aan de grote bladeren die zich langzaam opstapelden. En dan waren er veel nieuwe ontdekkingen van mooie onkruidsoorten, waaronder kleurige paarse bloemen met grijsachtige blaadjes en slijmerige grassoorten die iets weg hadden van zeewier. De bijzondere planten lijken wonderlijk genoeg gevoed te worden door de zoute bodem, die verder zo droog en onvruchtbaar blijkt te zijn.

Hoewel er diverse moestuintjes worden bijgehouden in de wijk Tsumuura, schijnt het zo makkelijk nog niet te zijn om groenten te verbouwen... toch zie ik nu en dan weer nieuwe creaties verschijnen, waaronder uien, kleine tomaatjes, shiso en zelfs rucola. In de winter schijnen alleen knolachtige gewassen het goed te doen, zoals daikon. "Maar gewoonlijk lukt het nooit om op deze grond zulk soort groenten te verbouwen, het is allemaal dankzij de wijsheid van de mensen uit de buurt!" Zo vertelde één van de tuinierliefhebbers van het huis.

Wie weet zal ik ook ooit iets in de moestuin verbouwen... Maar dan moet deze eeuwig koude, bevroren grond wel eerst ontdooien! Plukkend aan plukjes onkruid die stevig vastgeworteld zaten in de aarde, zei met collega-plukker naast mij opeens iets onverwachts: "Dit is mijn favoriete seizoen van Naoshima." Ik keek op, begreep het eerst niet helemaal. "In de winter is het eiland rustig, er zijn niet zoveel mensen als in de andere seizoenen. En dus kun je zelf ook rustig aan doen. Ik kan me voorstellen dat Naoshima nu een beetje is zoals het vroeger was." Opeens ging er, bij het horen van deze woorden, een knop om bij de eeuwige koukleum-ik. Naoshima in de winter. Het is inderdaad prachtig!


Met de koude wind langs m'n gezicht, fiets ik de grijs geworden bergen tegemoet. De lucht is helder en ook de zee is grijsachtig blauw, een kleur die veel meer bescheiden is dan de felblauwe zomerzee. Het grasveld bij de sculpturen is verkleurd van felgroen naar lichtgeel, en Karel Appels felgekleurde Kikker en Kat lijkt nu nog meer te stralen.



Ik weet nog niet precies waar mijn fietstocht naartoe leidt en hoop dat de eilandachtigheid van Naoshima mij vanzelf naar mijn eindbestemming zal brengen. En het liep zoals verwacht... Eenmaal bij Miyanoura haven te zijn aangekomen zie ik al een bekend gezicht. "Weet u misschien waar het mochi-tsuki evenement vandaag zal plaatsvinden?" vraag ik hem. "Maar natuurlijk" zegt de oudere meneer. Hij laat zijn tuiniersgereedschap vallen en pakt zijn fiets uit het schuurtje. Ik bedankt hem en verontschuldig mij gauw.

Zijn rondleiding door de nauwe straatjes van Miyanoura hoeft echter niet lang te duren. Al gauw zien we bij een groot houten huis achter een muurtje een enorme pluim rook omhoog walmen. "Hier moet het zijn!" Door een poort ging ik door naar de tuin, waar vele bekende gezichten opkeken van alles waar ze mee bezig waren, en een blijk van herkenning. De dingen in de tuin waren voor mij gedeeltelijk bekend, gedeeltelijk raadselachtig. In het midden van de tuin de zo bekende gigantische vijzel waarin deze platgestampt zou worden, achterin de tuin twee enorme ijzeren pannen waar voortdurend stoom uit omhoog kwam. En aan zijkant van het huis een groot vergiet met een berg witte rijst erin... maar dit was geen gewone rijst. Dit was de mochi rijst waaruit we vandaag bergen met smeuige rijstcake zouden klaarmaken.



Ik ben dol op mochi. Heb al zo vaak de mochi uit de supermarkt gegeten, zoet en kauwbaar, soms met een zout blaadje eromheen als tegenwicht, soms met een hele friszoete aardbei in het midden. Maar dit soort Nieuwjaarsmochi is andere koek, zo had ik al gauw begrepen. Een collega zuchtte. "Ik weet dat het traditie is, en dat het belangrijk te was om niet meer te koken na Nieuwjaar. Maar bij ons aten we elke dag mochi: in soep, als snoep, ter vervanging van rijst... aan het eind van de feestdagen kon ik geen mochi meer zien!" Ergens begrijpelijk... of misschien toch niet? Het was de eerste keer dat ik het versgemaakt uit de vijzel zou eten.

Maar eerst moesten er, in de vroege ochtend, nog voorbereidingen worden getroffen. En zo stond ik samen met een paar leeftijdsgenoten en een paar oudere dames die in de buurt woonden in de keuken van het huis. Het rook er lekker. Naar hout, naar tatami, en toen naar gekookte bouillon en de ingrediënten die daar in zouden gaan. Onze voeten werden verwarmd door een kleine oliekachel in de hoek. Wij, de jongeren, sneden hier de groenten, de shiitake, de tofu, de konnyaku. Maar dat mocht niet zomaar. Bij elk ingrediënt moesten we eerst even navragen aan de ouderen in welke vorm en in welke grootte elk ingrediënt gesneden moest worden. "De shiitake moet in vier stukken, maar bij de kleineren in twee stukken. De konnyaku in plakjes van ongeveer zó dik en zó lang," de vingers uitstrekkend in de vorm van een luciferdoosje. Ik dacht dat ik best kon koken, maar realiseerde me steeds meer mijn eigen onhandigheid (en onverschilligheid) in de keuken. "Nee, je hebt de lenteui veel te groot gesneden! Kun je ze dunner maken?" Ik haalde de schijfjes terug uit de kom, om ze te perfectioneren.



Het was mooi om te zien om hoe op deze manier, een gerecht met zoveel kleuren, geuren en substanties vorm kreeg. Maar de echte textuur waar ik nieuwsgierig naar was, was die van de mochi. En dus nam ik na het snijwerk opnieuw een kijkje in de tuin. We kregen koffie, thee en cairo (opwarmkussentjes) om ons warm te houden tijdens het schouwspel. Met enorme hamers werd de rijst, gemengd met kokend heet water, in de vijzel platgestampt. De grote zachte rijstklomp die daaruit voortkwam werd op tafel in de bloem gelegd, en vervolgens opgedeeld in heel veel kleine stukjes, die wij vervolgens mochten kneden tot mooie bolletjes. De klaargemaakte mochi werden vervolgens op een blauw picknickkleed gelegd in een van de kamers van het huis. Eerst vulden deze slechts een hoekje van het kleed, maar geleidelijk aan breidden deze zich steeds meer uit. "Maken jullie heel de dag door mochi?" vroeg ik, toen de zoveelste klomp deeg, deze keer gevuld met zoete zwarte bonen, langs mijn handen ging. "Ja maar natuurlijk! We gaan heel de dag door totdat de hele kamer vol ligt!" Zo klonk het enthousiasme.


Bolletjes mochi op een blauw vlak. Ieder verschillend in vorm, gevormd door verschillende handen. Het leek ergens een beetje op het landschap van de binnenlandse zee, waar Naoshima ook slechts een van de vele klompjes lijkt te zijn. Mijn fantasie werd doorbroken door een revolutionaire opmerking van een van de oudere dames. "Je mag best proeven, als je wilt." Met een rommelende maag na een te vroeg ontbijt nam ik, waarschijnlijk vroeger dan beschaafd gevonden wordt, een hap uit een van de creaties. En ik verbaasde mij om de warmheid, de zachtheid, de smeuigheid. En ook over de textuur van de bonen in het midden, die vreemd genoeg nog stevig waren ondanks dat ze samen met de rijst plat waren gestampt in de vijzel. Een glimlach verscheen op het gezicht van de mevrouw met het rode hoofddoekje. Waardering voor traditie.

Inmiddels druppelden er steeds meer mensen binnen. De zon begon te schijnen en het werd steeds warmer. Gesprekken kwamen op gang, mochi met verschillende vullingen werden uitgewisseld, bier werd al uit de koelingen gehaald. En toen realiseerde ik me iets... O ja, ik moet nog werken vandaag. De vroege middagzon achtervolgde me op de fiets, terug door hetzelfde landschap van grijs en bruin.


Inmiddels is er iets veranderd. De zoetzoute geuren die ik vorig jaar rook, beginnen terug te komen. En opeens hoor ik een kreet uit de bergen: "Ho-hokekyo!" Het gezang van de Japanse nachtegaal, een klein snel groen vogeltje met een witte bril. De lente is begonnen...

donderdag 15 februari 2018

Gelukswater


Voor dag en dauw stonden we heel vroeg op. Op de wegen van het eiland was nog niemand te zien. En alles zag er ander uit dan overdag: de lucht liep over van donkerblauw naar lichtroze in de horizon, waar de zon langzaam opging. Het was al heel koud, zo eind november. En dus trokken we warme kleding aan, ook al wisten we dat de boot ongetwijfeld lekker warm zou zijn. Het was fijn om weer eens een tochtje te maken, kijkend naar de golven om ons heen. Ongemerkt soms bijna in slaap vallend van de zachte deining.

We gingen verder, met de trein en toen met de bus, ver weg. Ver van het eiland vandaan. Op het station Fukuyama in Hiroshima prefectuur werden we gelijk verrast door een uitzonderlijk uitzicht: vlak voor het station was een groot wit kasteel te zien met enorme stenen muren eromheen. Echter waren we niet gekomen met de bedoeling om het kasteel te bezichtigen. De bus naar onze eigenlijke bestemming vertrok vlak hiernaast. Een gezellig klein busje dat al gauw vol liep met mensen, vooral ouderen die elkaar allemaal leken te kennen. De deur ging dicht en de bus vertrok. Al gauw werden de stadse uitzichten met winkels en uithangborden vervangen door een diep berglandschap waar de gelaagde rijstvelden felgeel waren verkleurd. De dichte bebossing in de bergen lichtte feloranje op momenten dat de zon door de wolken heen brak. Langs oude houten huisjes, boomgaarden met kaki en druiven, een korte stop bij een typisch lokaal pretpark en onsencomplex zoals wel vaker op het platteland te vinden is.




Eenmaal aangekomen bij onze eindbestemming, de Shinshoji tempel, verbaasden we ons over de schoonheid van de momiji in de omgeving, die juist nu zo dieprood gekleurd waren. Vervolgens verbaasden we ons nog meer over de omvang van het tempelcomplex. Het was het begin van een grote bergwandeling langs vele tempelgebouwen, theehuizen en (zowaar!) hedendaagse architectuur en kunsttentoonstellingen. De interessante menging van historische gebouwen en hedendaagse uitdrukkingsvormen die mij zo boeien, waren onverwachts ook hier terug te vinden. Zo leidde een glooiende weg omringd door momiji blaadjes ons naar een rond gewelfd gebouw op pilaren. De ingang was bereikbaar via een bergweggetje met aan weerszijden bloesembomen die (vreemd genoeg) in de herfst roze bloeiden.




Bij het zien van de donkere ingang van het gebouw en het vallen van het woord 'seiriken' (tijdskaartjes) moesten we even lachen. Het deed ons even denken aan Naoshima. Aan een van de zeer geliefde kunstinstallaties op Naoshima genaamd Minamidera. In een gebouw ontworpen door de architect Tadao Ando heeft de kunstenaar James Turrell een bijzonder lichtspel gemaakt. En bezoekers moeten een langere tijd in de ruimte doorbrengen om te merken hoe de ruimte werkelijk in elkaar zit... hierdoor kunnen er maar een beperkt aantal mensen naar binnen en staan de nog onwetende bezoekers buiten in de rij.

En nu stonden wij opeens hier in dezelfde positie: voor de donkere ingang van een werk van de bekende Japanse kunstenaar Nawa Kohei. Wat zou er gebeuren als wij naar binnen zouden gaan? Het werd nog spannender toen we met een zaklamp naar binnen werden gestuurd en werden gevraagd om binnenin de donkere ruimte op een bankje te zitten, tegenover een zwarte muur. In het begin was er niks. Maar naarmate onze ogen aan het donker wenden, begon er iets voor onze ogen te bewegen.
Het kwam me bekend voor, een beeld van deze ochtend toen wij ons over de zee bewogen. Was het werkelijk zo? Toen ik me er eenmaal van bewust werd, begon ik het ook te ruiken. Water. Het oppervlakte en daarmee de ruimte als geheel werd steeds breder naarmate mijn bewustzijn hiertegenover zich uitbreidde. Het begon te veranderen in een prachtig schouwspel van licht en donker.. En kijkend naar deze dansende lichtjes, vergat ik de tijd... is dit dan de hedendaagse manier van zazen meditatie?

Na het bekijken van het kunstwerk keerden we terug naar het 'oude' gedeelte van het tempelcomplex. Onder een rij van roodgekleurde bomen, langs een brede vijver liepen we richting de berg die we zouden gaan beklimmen. Onderaan bij de oever, zagen we echter een klein huisje, omringd door een heerlijke zoete dashi-achtige geur. Binnen vonden we een warme ruimte met grote ramen die uitzicht gaven op de groene mostuin en de kleurige herfstbomen. Een monnik vroeg ons om vooral relaxed en breeduit te zitten op het bankje aan tafel. We kregen een warm kleedje op onze knieën, 3 kommetjes en een paar grote houten eetstokjes. Toen vertelde de monnik het verhaal over de zogenaamde 'unsui udon', oftewel de 'gelukswater udon'. Alleen op vastgestelde dagen van de oude maankalender werd deze udon gegeten... waaronder toevallig op de dag dat wij hier waren!




Eerst kregen we een bordje met allerlei verschillende smaakmakers: tsukemono, lenteui, sesam... deze moeten in het middelste en kleinste bakje. De soep schenk je in het grootse bakje, en vervolgens krijg je, te midden van dit alles, een houten ton vol met udon. In tegenstelling tot de udon die wij vaak in Kagawa hadden gegeten, waren deze vrij dik en rond van vorm. Terwijl we de udon van het ene naar het andere bakje visten, kwamen gesprekken op gang en vulde de ruimte zich langzaam met andere mensen die van hetzelfde genoten. Ondertussen bleef de monnik thee bijschenken, alsof het iets was dat bij de maaltijd zeker niet mocht ontbreken.

Over thee gesproken... "Weet je waarom de ingang zo klein is van dit theepaviljoen?", vroeg mijn reisgenote. we passeerden net een van de bescheiden houten gebouwen dat op leek te gaan in het imposante groene landschap. "Dan moeten de deelnemers van de ceremonie hun zwaarden wel neerleggen, voordat zij naar binnen gaan." Stilte omringde het gebouw. Toen wij eromheen liepen zagen wij, verbazingwekkend genoeg, een houten bord staan: 'Groene thee met wagashi, 500 yen'. De indruk dat er niemand zou zijn in dit gesloten gebouw hield ons niet tegen. En dus gingen we onder de noren door naar de ingang, waar we opnieuw warm werden ontvangen.



Een kopje groene thee en een glimlach verscheen. Dan een mooi stukje papier naast het blauw beschilderde kopje, met een rond snoepje erop. Ook warm. Eerst het snoepje en dan de bittere thee, die helemaal niet zo bitter meer was na de zoetheid van de warme azuki bonen. Terwijl we hier, naast elkaar zittende rustig van genoten, viel mijn ook op de rechterkant van de ruimte. De tokonoma alkoof, de mooie bloemen, het schilderij. Maar nog mooier was het licht in de ruimte... deze was enkel flauw verlicht met een klein, oud lampje in de hoek van de kamer. Onder het oranjegele licht kroop een klein, bruin insect langzaam heen en weer. Een beetje onbeholpen was hij: hij klom tegen de kromme lamp op en viel steeds weer naar beneden. We moesten erom lachen. "Dat is een Kamemushi. Hij is altijd in deze ruimte, hij vindt het hier fijn en houdt van het licht," zei de gastvrouw.

Ik kon het begrijpen. Terugkijkend op deze reis in november staan alle plekken en ruimtes me nog zo helder voor de geest... evenals de droomachtige rit terug door de bergen, over de zee. Wonen op een eiland geeft je toch een constant gevoel van reizen.

vrijdag 29 december 2017

Het festival

Herfst in Naoshima. Fietsen langs de vijver met de waterlelies, maar nu zonder bloemen. Er schiet een tanuki weg, langs het smalle bergweggetje, razendsnel de bosjes in. Hij zal wel gesnoept hebben van het fruit in de boomgaard. Er hangt een zoete geur in de lucht, misschien van kakifruit? Of van de kleurige bloemen die in dit seizoen weer beginnen te bloeien? De felgroene Japanse nachtegaal houdt zich stil, maar hij zit er wel. Hij kijkt naar me.


In de koele herfstlucht lichtten de felle kleuren van de kinderen warm op in de nacht. Ik was die avond samen met twee vriendinnen die samen met mij het werk en leven op Naoshima ervaren. "Ik woon heel mijn leven in Japan, maar ook voor mij is het voor het eerst om zoiets als dit te ervaren!" zei een van hen. Desondanks was ze wel een expert in het achtervolgen van de omikoshi, de draagbare tempel, kriskras door de smalle straatjes van Honmura. "Als we hier een straatje afsnijden zullen we ze net tegenkomen..." En ja hoor, op het kruispunt waar we naartoe waren gerend, kwam de eerste omikoshi net aan en stonden wij op de 'eerste rij' van het schouwspel. Het was een heftig en prachtig gezicht, de manier waarop de jongetjes, zittend op het podium, gekleurd in felrode en blauwe gewaden, met sneeuwwitte gezichten op de taiko's sloegen met energieke kreten. De omikoshi werd door de straten heen gedragen door tientallen (zeer sterke) mannen, die dit vreemd genoeg urenlang volhielden. Ook het uithoudingsvermogen van de jongetjes was indrukwekkend: hoe jong zij ook waren, de energie in hun opvoering zwakte geen moment af.


Het luide getrommel vormde een tegenstelling tot een andere opvoering die deel uitmaakte van het festival. Een lagere wagen volgde op rustige wijze. Hierop stonden jonge meisjes van verschillende leeftijden gekleed in de meest kleurrijke, rijkelijk met bloemen versierde kimono's en haardrachten, allerlei instrumenten te bespelen. Dit waren traditionele snaarinstrumenten zoals koto en shamisen. Zachte en bescheiden muziek weerklonk in de donkere nacht, gevolgd door een stilte. En dan een lange stoet mensen, voornamelijk lokale bevolking van Naoshima die bekend leken te zijn met alles en vooral met iedereen om hen heen. Zij spreken met elkaar in een eigen dialect en in verhouding wordt er maar weinig formeel Japans gebruikt. Zoals ik een mede-nieuwe eilander een keer heb horen zeggen: "Het is net of iedereen op Naoshima familie van elkaar is." Het is dan wel een hele grote familie... meer dan wij ons hadden kunnen voorstellen kwamen mensen in grote getale naar het festival.  "Ik dacht dat er in Naoshima niet zoveel mensen woonden... waar komen zij allemaal vandaan?!" zei mijn collega op een zowel geamuseerde als verschrikte wijze.


Een onverwachte climax kwam er toen de wagens met de kinderen terugkeerden naar de tempel en de trappen beklommen naar boven: we konden niet geloven dat dit daadwerkelijk ging gebeuren! De steile trappen met onregelmatige treden leken een onoverbrugbaar obstakel te zijn voor de dragers, ook al leken zij nog zo sterk. Wij stonden inmiddels bovenaan de trap, aan de kant van het hoofdgebouw van de Hachiman-gu, de plek waar het festival begon en ook zou eindigen. Wij keken toe hoe de kinderen dapper hun spel bleven opvoeren, terwijl zij diagonaal op de omikoshi zaten. De gezichten van de inmiddels bezwete mannen leken op te lichten toen zij eindelijk bovenaan de trap aankwamen. Ze hadden het gehaald! Applaus weerklonk overal om hen heen, en ze werden bijgestaan door leden van een 'hulpploeg'. Deze reikten hen water en thee aan uit een emmer, ook op een wijze die overeenkwam met de sfeer van het festival: met hishaku, een soort lepels die gewoonlijk worden gebruikt voor het zuiveren van handen bij een Shinto heiligdom.


Ondertussen bleven de kinderen volhouden met trommelen en het roepen van de vaste kreet "Sora yatta sora yatta". Sommige druktemakers verloren hun grote rode muts en dan was er weer een ouder die hem om zou binden. Inmiddels begonnen ook nieuwsgierige nieuwkomers van Naoshima deel uit te maken van het festival. Sommige buitenlandse toeristen poogden te helpen met het dragen van de omikoshi. Anderen begonnen praatjes met ons te maken. "Wat roepen de kinderen eigenlijk? En wat betekent dat dan?" vroeg een Italiaanse working holiday inwoner. Heel spijtig konden wij, ook mijn Japanse collega's, daar geen antwoord op geven. Maar het wakkerde onze nieuwsgierigheid aan... wat voor gedachten zitten er achter deze tradities van Naoshima? En wat voor achtergrond hebben al deze woorden en gebruiken? Zullen wij er achter komen?

Het ritme van de trommels versnelde, totdat de klok 9 uur sloeg. De kinderen daalden af van hun 'bewegende podium' en er volgde een stilte. Het was donker, maar we werden nog omgeven door flauw licht van de lantaarns rondom het hoofdgebouw van de tempel. Hier volgde een woord van de priester, hij sprak in een zachte, rustige toon. We probeerden allemaal muisstil te zijn en onze oren te spitsen. Het was heel moeilijk om te verstaan, maar dit was ook niet nodig. Het was duidelijk dat het herfstfestival tot een einde was gekomen. En wij nu allemaal, met deze kleurrijke herinneringen nog helder voor ogen, weer rustig naar huis zouden gaan. Ik voelde iets kouds op mijn wang. We keken elkaar aan. Inmiddels verdwenen ook de stemmen onder het zachte ruisen van de regen, die precies nu was begonnen.

dinsdag 28 november 2017

Nieuwe seizoenen



Onder de blauwe lucht veranderen de bergen van kleur. Toen ik hier net kwam nog vaalgroen met wolkjes van paars en roze. De sakura en bergazaleas, bekende roze en paarse bloemen van Naoshima, stonden toen nog in bloei. Een beetje jammer voelde het toen deze pasteltekening langzaam verdween. Maar er kwam iets moois voor in de plaats: felgroene bergen tegen de achtergrond van een felblauwe zee. Elke ochtend op de fiets zag ik de grijze gebouwen van Tadao Ando veranderen. En verschenen groene blaadjes tussen de zware betonnen blokken. Het werd zomer, het seizoen waarop het eiland vol leek te stromen met leven. Leven kwam uit de grond gekropen. Elke maandagochtend waarop ik met mijn huisgenoten in de tuin werkte, verbaasden we ons over hoeveelheid nieuwe planten, grassen en bijzondere bloemen er uit deze zoute bodem tevoorschijn kwamen. Evenals insecten… sommige mooi en kleurig, andere weerzinwekkend.



Maar het was niet alleen de natuur die tot bloei kwam. Zo keek ik mijn ogen uit bij het gewoonlijk zo rustige strandje van Tsutsuji-so, waar opeens grote groepen mensen zich verzamelden om te zwemmen, te barbecueën en te surfen. Het werkte aanstekelijk, maakte me steeds enthousiast om ook even met mijn voeten door het zand te gaan. Het water was lauwwarm en ik zwom verder en verder, de kinderen, die in Japans en allerlei andere talen naar elkaar riepen, achterna. Op het vlot keken we naar boven. Kijk, een vliegtuig. Waar zal die naartoe gaan? In de verte bewogen de schepen zich heen en weer, af en aan naar andere havens. Wat zouden ze met zich meedragen?

Boven de horizon van de zee zien we de skyline van de stad Takamatsu. Een ‘grote stad’ op het eiland Shikoku. Het lijkt dichtbij, maar is eigenlijk nog ver van ons vandaan. Een uurtje varen met de boot. Soms op vrije dagen ga ik van het eiland af, naar de grote stad toe. Dan is het fijn om even weer omringd te zijn door mensen, winkels, geluiden, illustraties en letters die het Japanse  straatbeeld kleuren. Maar er zijn ook vrije dagen waarop ik veel liever op Naoshima blijf, op het eiland waar ik nu woon. Hier begroeten mensen elkaar bij de bushalte, wat steevast tot een praatje leidt. “Waar ga jij vandaag naartoe? Toch niet met de boot weg? Het is juist zo fijn om hier van het eilandleven te genieten!”, aldus een van de oude vrouwtjes uit de buurt.

Nee, op deze vrije dag blijf ik op Naoshima. Hier kabbelt het leven letterlijk rustig voort: een doolhof-achtig wijkje met donkergekleurde houten huisjes aan een haventje met vissersbootjes. Aan de rand van de haven stopt iedere ochtend de boodschappenbus,waar de ene dag zakken met felrode appels, de andere dag weer vijgen en shiitake (luxe producten in Japan) voor kleine prijsjes worden verkocht. Bijzondere producten vind je ook in de tuintjes van mensen in de buurt, waar soms de meest grote, en ietwat vreemd gevormde citrusvruchten aan de boom hangen, en soms letterlijk voor het oprapen liggen. Dan is er ook nog de fruitboomgaard aan de rand van het bos, waar omheen vele verhalen over wilde dieren hangen…



Maar Naoshima is niet enkel een eiland van wasbeerhonden en everzwijnen... “Wat voor werk doe jij hier eigenlijk?” De mevrouw bij de bushalte keek mij vragend aan. “O daar… tegenwoordig is alles op het eiland veranderd door dat bedrijf.” Ik hoorde een ondertoon in haar stem die ik niet kon plaatsen. “Vroeger was Naoshima een eiland van vissers, van omaatjes en opaatjes. Nu niet meer.”
Nu niet meer. Een gekleurde bus met felle stippen komt aanrijden. Onverwachts in de ochtend al vol met mensen. Allerlei verschillende leeftijden, allerlei verschillende nationaliteiten. De buitenlandse talen vliegen om mijn oren en ergens denk ik weer eens een woordje Nederlands te horen. Deze bus brengt ons naar bijzondere plekken toe, zoals het dorpje Honmura, waar oude huizen gemaakt van gebrand cederhout zijn gerenoveerd en zijn omgetoverd tot unieke kunstinstallaties. Hoewel deze kunstwerken al bestaan sinds de jaren 90, blijft het dorpje in beweging. Nieuwkomers uit de stad beginnen er hun leven als eigenaren van huiselijke cafés en galeries. En oorspronkelijke bewoners blijven hun best doen: zij versieren hun huizen met mooi gekleurde noren vaandels, lieflijke plantjes, tekeningen en zelfgemaakte pompoen beeldjes.



De gele pompoen met zwarte stippen  van de kunstenares Kusama Yayoi. Het symbool van het eiland en van de grote openluchttentoonstelling, een andere belangrijke bestemming van de gestipte stadsbus. Ik kan me nog goed mijn eerste ontmoeting met de gele pompoen herinneren, die zo trots op de pier op de blauwe zee uitkijkt, soms omringd door groepjes met poserende mensen en camera’s. Naoshima is niet meer zoals ieder eiland in de Japanse binnenzee van Seto. Hier komen mensen uit Japan en de wereld naartoe voor de vele kunstwerken en musea op het eiland. Of zijn het misschien de vele geuren en kleuren van het eiland die de kunstwerken nog kleuriger maken? Niet alleen de pompoen van Kusama Yayoi, maar ook de kleurige sculpturen van Nicky de Saint Phalle en Karel Appel trokken meteen mijn aandacht bij mijn eerste wandeling door het park. Vooral de vrolijke en ietwat onbeholpen ‘Frog and Cat’ van Karel Appel toverde een glimlach op mijn gezicht.  Hoewel ook de werken van deze kunstenaars sinds de jaren 90 een vaste plek innemen, blijven ook zij in beweging. Zij worden belangrijk gevonden en worden beschermd en onderhouden. Zo zag ik laatst dat de gele pompoen van Kusama werd meegenomen op een auto, vlak voor de dreiging van een naderende tyfoon. En laatst zag ik tot mijn verbazing dat de ‘Frog and Cat’ opeens was ingepakt in plastic. “Ik laat hem terugkeren naar zijn oorspronkelijke kleuren,” zei de meneer die bij hem aan het werk was.

De oorspronkelijke kleuren… zijn dit nog wel de kleuren van mijn herinnering? En zou Karel Appel ze zelf ook nog zo herinnerd hebben? Een felrood met gele Kikkerkat kwam onder het plastic vandaan. Mooier of niet, de verandering lijkt perfect samen te gaan met de verkleuring van het landschap waar hij door wordt omgeven (zou het toeval zijn?). De zomer is inmiddels voorbij. En de bergen zijn veranderd naar egaal groen naar een kleurenpalet van felrood, geel, groen en oranje. Ook de zee is veranderd van felblauw naar blauwgrijs. En op het strandje zijn geen mensen meer te bekennen. Maar de echte verandering ervoer ik toen ik op de fiets stapte, en langs de boomgaard en door de bergen richting Honmura ging.



Er hangen zoete geuren in de lucht die ik eerder heb geroken… een hele tijd geleden. Misschien de geur van kaki aan de bomen in de bergen? Of de geur van de winter in Japan, de frisse lucht van sneeuw, een vuurtje in de verte. Even dacht ik terug aan mijn dagen in Yamagata. Maar toch is het hier anders. Hier staat altijd wat te gebeuren, ook al lijkt dat eerst nog niet zo te zijn… Eenmaal aangekomen in het plaatsje Honmura zag ik dat er weinig mensen waren. Ook de vriendinnen met wie ik had afgesproken waren er nog niet. De draagbare schrijn, omikoshi, stond onaangeroerd op het midden van de weg tussen de donkergekleurde houten huisjes. Locale bewoners en buitenlandse toeristen keken er naar om. Midden op de weg merkte ik opeens een torii op met een trap erachter. Zo nu en dan liep er mensen onderdoor, de duisternis in van de bossen erachter. Ik achtervolgde hen en deed daar nieuwe ontdekkingen.



Zacht licht kwam af van de lampionnen van een van de huisjes waar de onregelmatige stenen traptreden begonnen. Een oranje poes op een houten nis van de poort lag diep in slaap. Met een wijze uitdrukking, alsof hij over deze plek lag te waken. Meer poezenbeelden waren te zien naast de ongebruikelijk vrolijke tempelwachters die de bezoekers welkom zeiden bij het betreden van de Hachiman tempel van Naoshima. De ceremonie was nog niet begonnen. Maar eenmaal bovengekomen zag ik een aantal bekenden, evenals groepjes ouders met kinderen in felgekleurde gewaden die deze avond zouden deelnemen...