donderdag 15 februari 2018

Gelukswater


Voor dag en dauw stonden we heel vroeg op. Op de wegen van het eiland was nog niemand te zien. En alles zag er ander uit dan overdag: de lucht liep over van donkerblauw naar lichtroze in de horizon, waar de zon langzaam opging. Het was al heel koud, zo eind november. En dus trokken we warme kleding aan, ook al wisten we dat de boot ongetwijfeld lekker warm zou zijn. Het was fijn om weer eens een tochtje te maken, kijkend naar de golven om ons heen. Ongemerkt soms bijna in slaap vallend van de zachte deining.

We gingen verder, met de trein en toen met de bus, ver weg. Ver van het eiland vandaan. Op het station Fukuyama in Hiroshima prefectuur werden we gelijk verrast door een uitzonderlijk uitzicht: vlak voor het station was een groot wit kasteel te zien met enorme stenen muren eromheen. Echter waren we niet gekomen met de bedoeling om het kasteel te bezichtigen. De bus naar onze eigenlijke bestemming vertrok vlak hiernaast. Een gezellig klein busje dat al gauw vol liep met mensen, vooral ouderen die elkaar allemaal leken te kennen. De deur ging dicht en de bus vertrok. Al gauw werden de stadse uitzichten met winkels en uithangborden vervangen door een diep berglandschap waar de gelaagde rijstvelden felgeel waren verkleurd. De dichte bebossing in de bergen lichtte feloranje op momenten dat de zon door de wolken heen brak. Langs oude houten huisjes, boomgaarden met kaki en druiven, een korte stop bij een typisch lokaal pretpark en onsencomplex zoals wel vaker op het platteland te vinden is.




Eenmaal aangekomen bij onze eindbestemming, de Shinshoji tempel, verbaasden we ons over de schoonheid van de momiji in de omgeving, die juist nu zo dieprood gekleurd waren. Vervolgens verbaasden we ons nog meer over de omvang van het tempelcomplex. Het was het begin van een grote bergwandeling langs vele tempelgebouwen, theehuizen en (zowaar!) hedendaagse architectuur en kunsttentoonstellingen. De interessante menging van historische gebouwen en hedendaagse uitdrukkingsvormen die mij zo boeien, waren onverwachts ook hier terug te vinden. Zo leidde een glooiende weg omringd door momiji blaadjes ons naar een rond gewelfd gebouw op pilaren. De ingang was bereikbaar via een bergweggetje met aan weerszijden bloesembomen die (vreemd genoeg) in de herfst roze bloeiden.




Bij het zien van de donkere ingang van het gebouw en het vallen van het woord 'seiriken' (tijdskaartjes) moesten we even lachen. Het deed ons even denken aan Naoshima. Aan een van de zeer geliefde kunstinstallaties op Naoshima genaamd Minamidera. In een gebouw ontworpen door de architect Tadao Ando heeft de kunstenaar James Turrell een bijzonder lichtspel gemaakt. En bezoekers moeten een langere tijd in de ruimte doorbrengen om te merken hoe de ruimte werkelijk in elkaar zit... hierdoor kunnen er maar een beperkt aantal mensen naar binnen en staan de nog onwetende bezoekers buiten in de rij.

En nu stonden wij opeens hier in dezelfde positie: voor de donkere ingang van een werk van de bekende Japanse kunstenaar Nawa Kohei. Wat zou er gebeuren als wij naar binnen zouden gaan? Het werd nog spannender toen we met een zaklamp naar binnen werden gestuurd en werden gevraagd om binnenin de donkere ruimte op een bankje te zitten, tegenover een zwarte muur. In het begin was er niks. Maar naarmate onze ogen aan het donker wenden, begon er iets voor onze ogen te bewegen.
Het kwam me bekend voor, een beeld van deze ochtend toen wij ons over de zee bewogen. Was het werkelijk zo? Toen ik me er eenmaal van bewust werd, begon ik het ook te ruiken. Water. Het oppervlakte en daarmee de ruimte als geheel werd steeds breder naarmate mijn bewustzijn hiertegenover zich uitbreidde. Het begon te veranderen in een prachtig schouwspel van licht en donker.. En kijkend naar deze dansende lichtjes, vergat ik de tijd... is dit dan de hedendaagse manier van zazen meditatie?

Na het bekijken van het kunstwerk keerden we terug naar het 'oude' gedeelte van het tempelcomplex. Onder een rij van roodgekleurde bomen, langs een brede vijver liepen we richting de berg die we zouden gaan beklimmen. Onderaan bij de oever, zagen we echter een klein huisje, omringd door een heerlijke zoete dashi-achtige geur. Binnen vonden we een warme ruimte met grote ramen die uitzicht gaven op de groene mostuin en de kleurige herfstbomen. Een monnik vroeg ons om vooral relaxed en breeduit te zitten op het bankje aan tafel. We kregen een warm kleedje op onze knieën, 3 kommetjes en een paar grote houten eetstokjes. Toen vertelde de monnik het verhaal over de zogenaamde 'unsui udon', oftewel de 'gelukswater udon'. Alleen op vastgestelde dagen van de oude maankalender werd deze udon gegeten... waaronder toevallig op de dag dat wij hier waren!




Eerst kregen we een bordje met allerlei verschillende smaakmakers: tsukemono, lenteui, sesam... deze moeten in het middelste en kleinste bakje. De soep schenk je in het grootse bakje, en vervolgens krijg je, te midden van dit alles, een houten ton vol met udon. In tegenstelling tot de udon die wij vaak in Kagawa hadden gegeten, waren deze vrij dik en rond van vorm. Terwijl we de udon van het ene naar het andere bakje visten, kwamen gesprekken op gang en vulde de ruimte zich langzaam met andere mensen die van hetzelfde genoten. Ondertussen bleef de monnik thee bijschenken, alsof het iets was dat bij de maaltijd zeker niet mocht ontbreken.

Over thee gesproken... "Weet je waarom de ingang zo klein is van dit theepaviljoen?", vroeg mijn reisgenote. we passeerden net een van de bescheiden houten gebouwen dat op leek te gaan in het imposante groene landschap. "Dan moeten de deelnemers van de ceremonie hun zwaarden wel neerleggen, voordat zij naar binnen gaan." Stilte omringde het gebouw. Toen wij eromheen liepen zagen wij, verbazingwekkend genoeg, een houten bord staan: 'Groene thee met wagashi, 500 yen'. De indruk dat er niemand zou zijn in dit gesloten gebouw hield ons niet tegen. En dus gingen we onder de noren door naar de ingang, waar we opnieuw warm werden ontvangen.



Een kopje groene thee en een glimlach verscheen. Dan een mooi stukje papier naast het blauw beschilderde kopje, met een rond snoepje erop. Ook warm. Eerst het snoepje en dan de bittere thee, die helemaal niet zo bitter meer was na de zoetheid van de warme azuki bonen. Terwijl we hier, naast elkaar zittende rustig van genoten, viel mijn ook op de rechterkant van de ruimte. De tokonoma alkoof, de mooie bloemen, het schilderij. Maar nog mooier was het licht in de ruimte... deze was enkel flauw verlicht met een klein, oud lampje in de hoek van de kamer. Onder het oranjegele licht kroop een klein, bruin insect langzaam heen en weer. Een beetje onbeholpen was hij: hij klom tegen de kromme lamp op en viel steeds weer naar beneden. We moesten erom lachen. "Dat is een Kamemushi. Hij is altijd in deze ruimte, hij vindt het hier fijn en houdt van het licht," zei de gastvrouw.

Ik kon het begrijpen. Terugkijkend op deze reis in november staan alle plekken en ruimtes me nog zo helder voor de geest... evenals de droomachtige rit terug door de bergen, over de zee. Wonen op een eiland geeft je toch een constant gevoel van reizen.

1 opmerking:

  1. Toen ik je foto’s van deze dag zag, dacht ik: daar wil ik ook naartoe met Lisanne. Nu ik je blog heb gelezen is het net of we er al samen geweest zijn. Wat kun je toch mooi (be)schrijven! 🌸💕

    BeantwoordenVerwijderen